De tweelingparadox
Voorwoord
Kort gezegd komt de tweelingparadox hierop neer dat je van twee precies even oude personen, bijvoorbeeld twee tweelingbroers, er één in een ruimtetoestel met grote snelheid naar een nabije ster stuurt, om laat draaien en weer terug laat komen. Tijdens de perioden van grote snelheid zal zijn tijd trager lopen en bij terugkomst zal hij jonger zijn dan zijn achtergebleven tweelingbroer. Maar, het relativiteitsprincipe zegt dat je de beweging net zo goed vanuit het ruimtevaartuig kan beschrijven. Vanuit het ruimtevaartuig gezien, verkrijgt de achtergebleven tweelingbroer de grote snelheid waardoor diens tijd trager loopt. Bij terugkomst moet, volgens de broer die in het ruimtevaartuig zat, zijn tweelingbroer juist jonger zijn. Ze zouden allebei jonger zijn dan de ander, wat gewoon volgens de logica een onmogelijkheid is. Dat is de paradox! Een schijnbare tegenstrijdigheid, want bij nadere beschouwing blijkt de laatste redenering dat de thuisgebleven broer ook jonger moet zijn tegenover zijn heldhaftige broer niet klopt.
Voor 1920 werd dit gedachte–experiment regelmatig aangevoerd als argument tegen de geldigheid van de (speciale) relativiteitstheorie. Het is een intrigerend en moeilijk gedachte–experiment dat tot de dag van vandaag tot discussie leidt. De verklaring die ervoor wordt gegeven, is meestal onjuist omdat slechts wordt bewezen waarom de ruimtevaarder jonger is gebleven dan zijn minder avontuurlijke broer. Dit gaat soms gepaard met halsbrekende toeren voor de ruimtevaarder om onderweg van het ene in het andere ruimteschip te springen. Het wordt begrepen alsof de paradox zit in het feit dat de ruimtevaarder bij terugkomst minder oud is dan zijn achtergebleven broer. Maar dat is de consequentie van de speciale relativiteitstheorie. Het is, zoals Einstein in het navolgende door zijn criticus laat zeggen: ".... zacht gezegd eigenaardig te noemen.", niet meer dan dat. Wanneer je het daarbij laat, wordt de tweelingparadox van zijn paradoxale karakter ontdaan en tot een "simpel" probleem teruggebracht! Zelfs Richard Feynman in The Feynman Lectures on Physics vol I blz. 16–3 bezondigt zich hieraan. Jammer, want de echte paradox, die in de volgende "Dialoog over de bezwaren die tegen de relativiteitstheorie worden ingebracht" door Einstein wordt weerlegd, is veel spannender dan wat veelal onder de naam "Tweelingparadox" wordt verkocht.
Wat zegt Einstein erover. Het probleem werd toen nog de klokkenparadox genoemd. Zoals je zult merken, is de wijze waarop hij de paradox ontzenuwt een zeer verhelderende les in de natuurkunde. Het blijkt dat er een gedachtefout wordt gemaakt door beide stelsels gelijkwaardig te noemen. Voor de werkelijke verklaring heeft hij een stukje van de algemene relativiteitstheorie nodig. Dan blijkt pas waarom slechts de vertrokken en heelhuids teruggekeerde tweelingbroer jonger is dan zijn achtergebleven broer.
Einstein schreef zijn verklaring in de vorm van een dialoog, geïnspireerd door Galileo Galileï's "Dialoog over de twee belangrijkste wereldstelsels" uit 1630. Bij de Engelstalige heruitgave in 1953 schreef Einstein hiervoor het voorwoord. Maar dat is van latere datum. Toen hij in 1918 zijn "Dialoog" schreef, had hij al regelmatig te maken met achterbakse aanvallen op zijn werk waarbij men hem van plagiaat beschuldigde en tegelijkertijd zijn theorie probeerde onderuit te halen. Dit zou nog enige jaren doorgaan, culminerend in de Bad Nauheim discussies in 1920, waar zich onder zijn critici een groep bevond die zich liet leiden door uitgesproken antisemitische gevoelens.
In de verdediging van de theorie legt Einstein een grote strijdvaardigheid aan de dag. Hij verheldert op een geweldige manier de natuurkundige verklaring van de klokkenparadox en zet "en passant" zijn critici te kijk.
Het artikel werd geschreven nadat Einstein de Algemene Relativiteitstheorie in een eindvorm had gegoten. Zoals al eerder werd gesteld (zie de uitleg bij § 4 van het artikel over de speciale relativiteitstheorie) kon Einstein pas een verklaring geven voor het achterlopen van de klok die een ommetje had gemaakt met behulp van de Algemene Relativiteitstheorie, maar hij was er in 1905 al van overtuigd dat de thuisblijvende klok voor zou lopen op de andere. Pure fysische intuïtie.
Dit artikel is zondermeer een literaire poging te noemen. Wie alleen de kern van het verhaal, het weerleggen van de paradox, wil bekijken, moet het gedeelte tussen de twee groene lijnen lezen, maar de rest van het verhaal is eveneens boeiend.
Hier volgt de uitleg van Einstein:
Het originele artikel:
Albert Einstein: Dialog über Einwände gegen die Relativitätstheorie; Die
Naturwissenschaften; zesde jaargang 29 november 1918 p.697–702
Dialoog over de bezwaren die tegen de relativiteitstheorie worden ingebracht
door Prof. Dr. A. Einstein, Berlijn
Vertaling Henk Dorrestijn
De criticus
:Ik probeer gewoon logisch na te denken, temeer daar ik best weet dat je met kritiek vaak alleen maar een gebrek aan eigen denkbeelden etaleert. Ik wil je ook niet als een soort deurwaarder lastig vallen – zoals pas geleden één collega-criticus deed – met het verwijt van diefstal van geestelijk eigendom of vergelijkbaar oneervol gedrag. Slechts de behoefte bij te dragen aan het ophelderen van enige punten uit de theorie, punten waarover de meningen behoorlijk ver uiteenlopen, hebben mij ertoe gebracht jou hierover eens stevig te ondervragen.
Bovendien wil ik je dringend verzoeken mij toe te staan dat ik de inhoud van
dit gesprek publiceer. Dit omdat mijn vriend, de uitgever Berolinensis, niet
alleen zorgen heeft vanwege de papierschaarste*) , maar ook nog uit zijn slaap
wordt gehouden door een gebrek aan kopij voor zijn tijdschrift.
*) vertaler: het was
vlak na de 1ste wereldoorlog
Ik hoor je niet tegensputteren, dus kom ik direct ter zake. Eén van de resultaten uit
de speciale relativiteitstheorie is de vertragende invloed van de snelheid op de
voortgang van de tijd. Sindsdien worden er voortdurend voorbeelden aangedragen
die de theorie weerleggen en – naar mijn mening – op goede gronden. Want
het voornoemde resultaat schijnt onontkoombaar tot een tegenstrijdigheid met de
grondbeginselen van de theorie zelf te leiden. Voor de goede orde zal ik dat resultaat nog
eens duidelijk omschrijven.
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Laat K een galileïsch coördinatensysteem zijn zoals bedoeld in de speciale
relativiteitstheorie, dat wil zeggen een referentiestelsel ten opzichte waarvan
een aan zichzelf overgelaten, stoffelijk punt rechtlijnig en eenparig
beweegt. Laat verder U1 en U2 twee precies dezelfde
klokken zijn die van buitenaf niet kunnen worden beïnvloed. Deze lopen even
snel als ze vlak naast elkaar of op een willekeurige afstand van elkaar staan opgesteld in rust
ten opzichte van het stelsel K. Als echter één van de klokken,
bijvoorbeeld U2 , ten opzichte van K in een toestand van een
eenparige, rechtlijnige beweging wordt gebracht, dan zal deze klok volgens de
speciale relativiteitstheorie – beoordeeld vanuit het coördinatenstelsel K
– langzamer lopen dan de klok U1, die ten opzichte van het stelsel
K in rust blijft. Deze uitkomst is toch zacht gezegd eigenaardig te noemen.
Er rijzen echter ernstige bezwaren tegen de theorie als men zich het
volgende, welbekende gedachte–experiment voor de geest haalt.
Neem twee punten A en B op enige afstand van elkaar in het stelsel K. We
spreken af dat A de oorsprong is van het stelsel en dat B op de positieve x–as
ligt. Eerst hebben we beide klokken bij het punt A opgesteld. Ze lopen dan even
snel en we nemen aan dat hun wijzers dezelfde tijd aanwijzen. We laten nu klok
U2 met een constante snelheid langs de positieve x–as bewegen tot
hij B bereikt. We nemen aan dat de snelheid bij B omkeert zodat de klok U2
weer naar A teruggaat. Als de klok bij A komt, wordt hij tegengehouden,
zodat hij weer in rust is ten opzichte van klok U1. Omdat de, vanuit
K beoordeelde, eventuele verandering van de wijzerstand van U2
gedurende zijn snelheidsverandering bij B beslist niet boven een bepaalde waarde
uit kan komen, en omdat U2 gedurende de eenparige beweging langs het
traject van A naar B en van B naar A langzamer loopt dan U1, zal, als
we de afstand A B voldoende lang nemen, de klok U2 na terugkomst
altijd achterlopen ten opzichte van U1.
Ben je het met deze conclusie eens?
De relativist:
Geheel mee eens. Ik heb het altijd jammer gevonden dat sommige schrijvers die
overigens de principes van de relativiteitstheorie onderschrijven, deze onvermijdelijke
gevolgtrekking proberen te omzeilen.
De criticus
:De relativist
:De criticus
:De relativist
:Betrokken op het stelsel K
- De klok U2 wordt in de richting van de positieve X–as door een uitwendige kracht versneld, tot hij de snelheid v heeft gekregen. U1 blijft in rust.
- U2 beweegt met een constante snelheid v tot aan het punt B op de positieve x–as. U1 blijft in rust.
- De klok U2 wordt door een uitwendige kracht zo lang versneld in de richting van de negatieve x–as tot hij een snelheid v in de richting van de negatieve x–as heeft gekregen. U1 blijft in rust.
- U2 beweegt met constante snelheid v in de richting van de negatieve x–as terug tot in de nabijheid van U1. De klok U1 blijft in rust.
- De klok U2 wordt door een uitwendige kracht afgeremd en tot stilstand gebracht.
–––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––
Betrokken op het stelsel K*
- Er ontstaat in de richting van de negatieve x–as een zwaartekrachtveld waarin de klok U1 zo lang versneld wordt tot hij de snelheid v heeft gekregen. Een uitwendige kracht die op U2 aangrijpt, in de richting van de positieve x –as verhindert dat de klok U2 door het zwaartekrachtveld in beweging komt. Als de klok U1 de snelheid v heeft verkregen verdwijnt het zwaartekrachtveld weer.
- U1 beweegt met constante snelheid tot aan het punt B* op de negatieve x–as. U2 blijft in rust.
- Er ontstaat een homogeen zwaartekrachtveld in de richting van de positieve x–as, onder welks invloed de klok U1 zo lang in de richting van de positieve x–as wordt versneld tot de klok in die richting een snelheid v heeft verkregen. Hierop verdwijnt het zwaartekrachtveld weer. Een op de klok U2 aangrijpende uitwendige kracht in de richting van de negatieve x–as voorkomt dat U2 door het genoemde zwaartekrachtveld in beweging geraakt.
- Klok U1 beweegt met constante snelheid v in de richting van de positieve x–as tot in de nabijheid van U2. De klok U2 blijft in rust.
- Er ontstaat een zwaartekrachtveld in de richting van de negatieve x–as waardoor de klok U1 tot stilstand komt. U2 wordt hierbij door een uitwendige kracht in zijn toestand van rust gehouden.
Men moet zich er goed van bewust zijn dat zowel in het deel "Betrokken op stelsel K" als in het deel "Betrokken op stelsel K* " precies hetzelfde verloop der gebeurtenissen is beschreven, de eerste beschrijving heeft slechts betrekking op het coördinatenstelsel K en de tweede beschrijving heeft betrekking op het stelsel K*. Volgens beide beschrijvingen loopt de klok U2 aan het eind van het beschouwde bewegingsverloop met een bepaalde hoeveelheid tijd achter ten opzichte van klok U1. Betrokken op het stelsel K* moet dit verschijnsel als volgt worden verklaard: Gedurende de deelprocessen 2.) en 4.) loopt weliswaar de met een snelheid v bewegende klok U1 langzamer dan de in rust verkerende klok U2 , echter, dit achterlopen wordt overgecompenseerd door een sneller lopen van U1 gedurende het deelproces 3.). Volgens de algemene relativiteitstheorie loopt een klok namelijk des te sneller naarmate de zwaartekrachtpotentiaal op de plek waar hij zich bevindt hoger is en U1 bevindt zich gedurende het deelproces 3.) daadwerkelijk op een plaats met een hogere zwaartekrachtpotentiaal dan U2 . Een berekening leert dat dit sneller lopen precies tweemaal zoveel uitmaakt als het langzamer lopen gedurende de deelprocessen 2.) en 4.) .
Volgens deze beschouwing is uw zogenaamde paradox volledig opgehelderd.
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
De criticus
:De relativist
: In plaats van "realistisch" en "onrealistisch" zullen we
een duidelijker onderscheid moeten maken tussen grootheden die in het natuurkundige
stelsel op zichzelf staan (onafhankelijk van het gekozen
coördinatenstelsel) en grootheden die van het coördinatenstelsel afhangen. De
volgende stap zou zijn de voorwaarde te stellen dat de natuurkunde in haar wetten
slechts grootheden van de eerste soort invoert. Het is echter gebleken dat deze
weg praktisch niet realiseerbaar is, zoals de ontwikkeling van de klassieke
mechanica duidelijk heeft aangetoond. Men zou er bijvoorbeeld aan kunnen denken,
en men heeft dat ook daadwerkelijk geprobeerd, in de wetten van de klassieke
mechanica in plaats van coördinaten alleen maar de onderlinge afstanden tussen
de massapunten in te voeren; naar verwachting konden op die manier de
doelstellingen van de relativiteitstheorie het eenvoudigst worden
bereikt. De wetenschappelijke ontwikkeling heeft dit vermoeden echter niet
bevestigd. Het lukt niet zonder een coördinatenstelsel en we moeten dus in de
vorm van de coördinaten grootheden accepteren die niet opgevat kunnen worden
als het resultaat van een goed gedefinieerde meting. Volgens de algemene
relativiteitstheorie zijn de vier coördinaten van het ruimte–tijd continuüm
zelfs geheel willekeurig te kiezen parameters waaraan iedere zelfstandige
natuurkundige betekenis ontbreekt. Echter ook de grootheden (de veldcomponenten)
waarmee de natuurkundige realiteit wordt beschreven, zijn voor een deel behept met
de genoemde willekeur.
Slechts sommige, in het algemeen tamelijk ingewikkelde uitdrukkingen, die uit
veldcomponenten en coördinaten zijn opgebouwd, komen overeen met onafhankelijk
van het coördinatenstelsel meetbare (dat wil zeggen reële) grootheden. Maar bijvoorbeeld, de component van het zwaartekrachtveld in een ruimte–tijdpunt is
nog niet zo'n van de coördinatenkeuze onafhankelijke grootheid; het zwaartekrachtveld op
een bepaalde plaats mogen we dus niet omschrijven als "fysisch
reëel" ; wel echter dit zwaartekrachtveld in relatie tot andere gegevens.
Men kan dus niet zeggen dat het zwaartekrachtveld op zekere plaats iets
"reëels" is, noch dat het alleen maar "zuiver fictief" is.
De samenhang tussen de in de vergelijkingen optredende grootheden
en de meetbare grootheden in de algemene relativiteitstheorie is
veel minder direct dan waar men aan gewend is. Dat is de voornaamste moeilijkheid
die zich bij het bestuderen van de theorie voordoet. Ook uw laatste bezwaar
berust erop dit niet consequent voor ogen te hebben gehouden.
U kenschetste de in het voorbeeld met de klokken opgevoerde zwaartekrachtvelden ook nog
als louter fictief omdat de krachtlijnen van "reële"
zwaartekrachtvelden noodzakelijkerwijs door massa's zouden moeten worden
opgewekt, terwijl in het behandelde voorbeeld er geen massa's aanwezig zijn die
deze velden zouden kunnen opwekken. Hier kunnen we op twee manieren op
ingaan.
Ten eerste is het geen uitgemaakte zaak dat de opvatting, behorend bij de
theorie van Newton, dat ieder zwaartekrachtveld door een massa moet worden
opgewekt, ook in de algemene relativiteitstheorie geldt. Deze vraag hangt ook
weer samen met wat we daarnet hebben gezien, namelijk dat de betekenis van de
veldcomponenten veel minder direct is gedefinieerd dan in de theorie van Newton.
Ten tweede kan men niet beweren dat er geen massa's aanwezig zijn waarmee de
opgewekte velden zouden kunnen samenhangen.
|
Overigens mogen de in versnelling verkerende coördinatenstelsels uiteraard niet als de reële oorzaak van het veld worden gezien. Deze mening meende een criticus met enig gevoel voor humor mij eens te moeten toeschrijven. |
We kunnen namelijk alle sterren, die in het heelal aanwezig zijn, zien als deelnemers in het opwekken van het zwaartekrachtveld, want zij zijn gedurende de versnellingsfase van het coördinatenstelsel K* ten opzichte van dit stelsel in versnelling en kunnen op die manier een zwaartekrachtveld induceren, zoals een versneld bewegende elektrische lading een elektrisch veld induceert. Een benaderende wiskundige berekening, uitgaande van de zwaartekrachtvergelijkingen, laat zien dat een dergelijke inductiewerking van een versneld bewegende massa daadwerkelijk moet optreden. Vanuit deze gedachtegang is het duidelijk dat een volledige verklaring van het door u opgeworpen probleem slechts kan worden bereikt als men zich in overeenstemming met de theorie een voorstelling kan maken van de geometrisch–mechanische toestand van het gehele heelal. Dat heb ik het afgelopen jaar geprobeerd en ik ben tot een – volgens mij –volledig sluitende opvatting gekomen; maar om hierop in te gaan, zou nu te ver voeren.
De criticus
:– Met de bewering van de principiële gelijkwaardigheid der
coördinatenstelsels wordt niet bedoeld dat ieder coördinatenstelsel voor het
onderzoek van een bepaald natuurkundig systeem in dezelfde mate geschikt
is; dit verschilt niet van de klassieke mechanica. Streng genomen mag men
bijvoorbeeld niet zeggen dat de aarde zich in een ellips om de zon beweegt, daar
deze uitspraak immers al een coördinatenstelsel impliceert waarin de zon in
rust is, terwijl de klassieke mechanica toch ook stelsels toelaat ten opzichte
waarvan de zon rechtlijnig en eenparig beweegt. Zo min het echter
bij iemand opkomt zich van zo'n stelsel te bedienen bij het onderzoek van de
aardbeweging, zo min zal hij bij zijn beschouwing van de aardbeweging tot de
slotsom komen dat het coördinatenstelsel, waarvan de oorsprong zich voortdurend
in het zwaartepunt van het beschouwde mechanische systeem bevindt, een
principieel bevoorrechte positie ten opzichte van ieder ander
coördinatenstelsel heeft.
Zo is het ook bij het door u genoemde voorbeeld.
Niemand zal bij het onderzoek van het zonnestelsel gebruik maken van een
coördinatenstelsel dat in rust is ten opzichte van de aarde omdat dit
onpraktisch zou zijn. In principe echter is zo'n
coördinatenstelsel volgens de algemene relativiteitstheorie volstrekt
gelijkberechtigd ten opzichte van elk ander. De omstandigheid dat de vaste
sterren met ongekende snelheden rondlopen als men een dergelijk
coördinatenstelsel als basis kiest voor een beschouwing, vormt geen argument
tegen de toelaatbaarheid, maar slechts tegen de doelmatigheid van de keuze van
dit coördinatenstelsel. Hetzelfde geldt voor het op dit coördinatenstelsel
betrokken zwaartekrachtveld: dit krijgt een complexe structuur waarin
bijvoorbeeld de componenten die de centrifugale krachten weergeven een
plaats moeten krijgen.
Op dezelfde wijze moeten we ook het voorbeeld met de trein van de heer Lenard
bezien. Men mag op
basis van de relativiteitstheorie deze gebeurtenis niet opvatten als: "dat
het misschien toch de omgeving (van de trein) is
geweest, die de verandering van de snelheid heeft ervaren". Het gaat niet
om twee verschillende , elkaar uitsluitende hypothesen over waar de beweging is
gezeteld, maar veel eer om twee principieel gelijkwaardige manieren om dezelfde
toedracht te beschrijven1. .
- Dat de kerktoren niet instort, komt, ingevolge de tweede beschrijvingswijze, doordat deze tezamen met de bodem en de gehele aarde in een ( gedurende de schok aanwezig) zwaartekrachtveld in vrije val verkeerd, terwijl de trein door uitwendige krachten (remkrachten) wordt verhinderd om aan de vrije val deel te nemen. Een vrij vallend voorwerp gedraagt zich in dit verband als een vrij zwevend voorwerp, dat gevrijwaard is van alle uitwendige invloeden.
Welke beschrijving men zou moeten kiezen, kan uitsluitend worden beslist op doelmatigheidsgronden
en niet op argumenten van
principiële aard. Om in deze kwesties het zogenaamde "gezonde
verstand" als scheidsrechter aan te roepen, is niet de aangewezen weg zoals
het volgende tegenvoorbeeld laat zien.
Lenard zelf zegt dat er tegen de geldigheid van de speciale
relativiteitstheorie (d.w.z het relativiteitsprincipe met betrekking tot
eenparige translatiebewegingen van de coördinatenstelsels) tot op heden geen
goede bezwaren zijn ingebracht. De eenparig rijdende trein kan even goed als
"in rust" worden gezien als de rails tezamen met de totale omgeving
als "in rust" kan worden gezien. Zou dat voor het "gezonde
verstand" van de bestuurder van de locomotief acceptabel zijn? Hij zal er
tegen inbrengen dat hij toch niet de omgeving onafgebroken moet
verhitten en smeren, maar toch de locomotief, en dat in overeenstemming daarmee zijn arbeid tot uitdrukking
komt in de beweging van de laatste.
De criticus
:De relativist
:–––––––––––––
Naar het begin
Naar de Centrale Hal