|
Naar Entree
Het boek " Einstein in Nederland" valt
als een roman te lezen. De schrijver Rispens heeft een goed oog voor de
loop en het verloop van de vriendschappen van Einstein met de grote Nederlandse
natuurkundigen Lorentz en Ehrenfest, de sterrenkundige de Sitter en de physisch–chemicus
Debye. Hij beschrijft de momenten van warmte en van verwijdering, van enige
bitterheid of wantrouwen. Dit alles tegen de achtergrond van een zich
spectaculair ontwikkelende natuurkunde. Heel knap is de vervlechting in het
verhaal van de inhoudelijke kant van de discussies over natuurkunde en
relationele kant van de vriendschappen tussen deze wetenschappers. Alleen het
laatste hoofdstuk over de uitvindingen van Einstein valt uit de toon omdat het
de spanning mist van de andere hoofdstukken. Henk Dorrestijn maart 2006
In de titel van dit boekje zit een oxymoron verborgen, zoiets als "Het genie was zwak begaafd" Een oxymoron trekt altijd de aandacht. De Relativiteitstheorie is namelijk niet eenvoudig, ook niet als je je beperkt tot de Speciale Relativiteitstheorie. Iedereen die denkt de geïnteresseerde leek met een flink pakket wiskunde in zijn middelbare schooldiploma even in een boekje van ruim 100 bladzijden en wat grafieken de theorie te kunnen laten begrijpen, doet aan zelfbedrog. Het is overigens een prettig ogend boekje met een lovend voorwoord van Nobelprijswinnaar Gerard 't Hooft, maar de belofte van eenvoud kan niet worden waargemaakt omdat voor het begrijpen van dit boekje men de Speciale Relativiteitstheorie al aardig onder de knie moet hebben. Maar dan is het een nuttige en leuke aanvulling omdat de theorie geheel vanuit een meetkundig invalshoek wordt benaderd. Daarmee komt bijvoorbeeld de formule voor het optellen van snelheden volgens Einstein mooi tot zijn recht en vooral de afleiding van de Lorentztransformatie wordt op een bijzonder elegante manier uit de doeken gedaan. Kennis van zaken is echter nodig om je niet in de war te laten brengen door een flink aantal storende fouten en slordigheden, vooral in de grafieken (waar het juist om begonnen was) en de universiteitstaal in de teksten. De uitleg van de diagrammen schiet zo hier en daar te kort, zoals bij het ruimte–tijd diagram, waarin een tennisbal een pad (blz. 14) zou afleggen: teken dat pad er dan ook in.Ook een zin zoals op blz. 24 ": … de mechanica van Newton en het elektromagnetisme …..van Maxwell .. blijken er voor verschillende waarnemers juist niet hetzelfde uit te zien. " vraagt om een klein voorbeeldje, al is het maar dat voor iemand in een trein zijn kopje koffie stilstaat, terwijl deze voor iemand bij een overweg keihard voorbij komt snellen. Dat is een totaal andere fysische belevenis. Jammer dat de tweelingparadox slechts aan de
hand van een diagram wordt geïllustreerd, maar fysisch niet wordt verklaard. Eén
van de zusjes (schrijver heeft een voorkeur voor dames in het fysische
experiment) die zich met bijna lichtsnelheid voortbeweegt, keert bliksemsnel om!
En wordt van een stuk tijd beroofd! Ja, ja! Henk Dorrestijn 2010
|