|
§7 Verkleurende en verschuivende sterren Naar Centrale Hal Maar als Einstein hetzelfde verschijnsel onder het mes van de relativiteittheorie legt, ontstaan er andere formules en wordt de fysische interpretatie beslist anders dan die voor geluid. Eerst even het geheugen opfrissen:
Het Dopplereffect kennen we allemaal voor het geluid van een snel passerend voertuig of overvliegend vliegtuig. Bij nadering is het geluid hoger dan wanneer het vervoermiddel zich weer verwijdert. Het meest opvallende voorbeeld is misschien wel de alarmbel die we kunnen horen bij een onbewaakte overweg (zolang deze nog bestaan) wanneer we in een trein zitten. Dan zijn we zelf in beweging ten opzichte van de bel, maar het verschijnsel doet zich dan evengoed voor. Ook dit geluid verloopt van hoog naar laag. De verklaring is niet moeilijk. Het geluid heeft een constante snelheid ten
opzichte van de lucht. We geven de geluidsnelheid, net als de lichtsnelheid,
ook met het symbool c aan. Dit kunnen we wel even uit elkaar houden, denk ik.
Dus c meter per seconde.
We gaan uit van stilstaande lucht. De geluidbron heeft een frequentie van f
hertz(Hz). Dus f trillingen per seconde. Als de geluidbron en de waarnemer stilstaan ten opzichte van elkaar bevinden
zich in een afstand van c meter dus f trillingen. Maar als de waarnemer zich verplaatst terwijl de bron stil blijft
staan, krijg je een andere situatie. Als de waarnemer zich met een snelheid
van + v m/s van de bron verwijdert, terwijl de bron stilstaat, wordt de
waarnemer in één seconde door minder dan f trillingen ingehaald. Het gaat
nu om de geluidtrillingen die zich in een gebied van (c – v) meter bevinden.
Dat zijn er (c – v)/c keer zo weinig als bij stilstand. Als laatste toevoeging kunnen we ons nog afvragen hoe de formules er uit gaan zien als de richting van v een hoek φ maakt met de voortplantingsrichting van het geluid. Dan moeten we de component van v nemen in de bewegingsrichting van het geluid: v . cos φ en daarmee krijgen we de volgende formules:Bewegende geluidbron:
Bewegende waarnemer:
Iedereen, ook Lorentz, ging er van uit dat het Dopplereffect voor licht, dat
zich volgens de opvattingen in die tijd door de stilstaande
"lichtether" voortbewoog met een constante snelheid c ten
opzichte van de "lichtether", op dezelfde wijze als door de twee
formules voor geluid in stilstaande lucht diende te worden beschreven.
In het stelsel-in-rust K bevindt zich ver van de oorsprong in
het punt (x, y, z ) een bron die elektromagnetische golven uitzendt. We
zullen de elektromagnetische golven met regelmaat ook gewoon "licht"
noemen. Het punt wordt voor het gemak zeer ver van de oorsprong genomen zodat de
waargenomen golven constant in grootte en richting zijn, zowel voor een
waarnemer in het stelsel–in–rust als voor een bewegende waarnemer die een
beetje in de buurt blijft.
Y = Y0 . sin Φ, M = M0 . sin Φ, Z = Z0 . sin Φ, N = N0 . sin Φ,
Alle componenten van het elektrische en het magnetische veld variëren, zoals gezegd, met de tijd sinusvormig in sterkte. De variatie gaat in dit geval synchroon. Alle componenten bereiken tegelijkertijd de maximale waarde (de amplitudo), gaan tegelijkertijd door nul en bereiken vervolgens de uiterste waarde in negatieve zin. Je hebt hier te maken met lineair gepolariseerd licht, dat het eenvoudigst te beschrijven is. We maken het niet moeilijker dan het al is.
Wanneer we de eerste vergelijking onder de loep nemen, X = X0 . sin Φ, dan is X0 daarin de amplitudo van de x–component van het elektrische veld en Φ is een hoek in radialen, die evenredig met de tijd toeneemt. De hoek Φ wordt de fasehoek genoemd. Als Φ de waarde π/2 heeft, is sin Φ = 1 en bereikt de component zijn maximale waarde, de amplitudo.De hoek π/2 komt overeen met 90 º. Voor Φ = 0, π of 2π heeft sin Φ de waarde 0 en voor Φ = 3π/2 wordt sin Φ = – 1. Dit herhaalt zich elke trilling. De hoek Φ wordt ook wel de fasehoek genoemd. De hoek loopt na 2π gewoon door. Bij Φ = 4π zijn er twee trillingen doorlopen, enzovoort (zie figuur 701). Wanneer de bron t seconde bezig is met golven uitzenden, dan is de doorlopen fasehoek van de trilling bij de bron zelf: Φ = ω . t radialen. Op een afstand s van de bron is de fasehoek van de golf die daar op dat tijdstip t passeert: Φ = ω . (t – s / c), want de golven komen daar pas s/c seconde, nadat ze de bron verlaten hebben, aan. De afstand s tussen de bron en de oorsprong van het stelsel-in-rust geeft Einstein aan met
waarbij x, y en z de componenten van s langs de drie
assen zijn en waarbij a, b en d de richtingscosinussen van de
afstand worden genoemd. In figuur 702 is de afstand s aangegeven. De
componenten van s worden verkregen door s op elk van de drie assen
te projecteren. Een handige, maar in onbruik geraakte methode. Hiermee wordt a.x + b.y + d.z = x2 / s + y2 / s + z2 / s = (x2 + y2 + z2) / s = s2 / s = s. Bedenk dat de stelling van Pythagoras in de ruimte luidt: x2 + y2 + z2 = s2.
Op deze manier is de afstand s direct in zijn componenten a.x, b.y
en d.z weergegeven.
De tijd t
hoort bij het punt (x, y, z) waar de bron zich bevindt. Einstein schrijft de fasehoek op bovenstaande wijze op omdat je er dan vat op hebt, je kunt hem transformeren. De variabelen die er in voorkomen t, x, y en z kunnen namelijk worden getransformeerd met de transformatieformules. Voor de veldcomponenten X, Y, Z en L, M en N zijn de getransformeerde formules ook bekend. Het is nu de bedoeling uit te zoeken welke grootte een waarnemer in een bewegend stelsel (ten opzichte van het stelsel-in-rust en de bron) aan de zes componenten van het elektromagnetische veld zal toekennen (zie figuur 703). Als Φ' de fasehoek is die de bewegende waarnemer constateert, kan hij daarvoor opschrijven:
waarbij op het tijdstip τ* = (a' . ξ + b' . η + d' . ζ) / c de golf de waarnemer in het stelsel-in-beweging bereikt. De waarnemer in het stelsel-in-beweging zal volgens de getransformeerde formules van de vorige paragraaf de zes componenten zien als:
Nu is het aardige dat de fasehoek Φ ' =
ω ' .
Dan krijgen we:
Om te zien of dit van dezelfde vorm is, moet je hem zo herschrijven dat hij zoveel mogelijk lijkt op
Dat valt niet mee, maar na wat gepriegel en gehannes, krijg je: Φ ' =
Als je de uitdrukkingen voor Φ en voor Φ' vergelijkt, kom je tot de conclusie dat de vorm dezelfde is als de volgende gelijkheden gelden:
a = ;b = ;d =
Deze gelijkheden moeten dus gelden omdat volgens het relativiteitsprincipe de vorm dezelfde moet zijn!! Dit is de hogere filosofie achter de theorie. Als die aanname niet klopt, valt alles in duigen, maar tot op heden is de aanname rechtovereind gebleven. In één moeite door zal nu ook Φ
gelijk zijn aan Φ'.
In de drie andere formules komt de uitdrukking γ
.
Hiermee kom je eenvoudig op: ω' = Deze uitdrukkingen staan in het artikel van Einstein halverwege blz. 911. De uitdrukking voor ω' leidt ons nu direct naar het Dopplereffect voor elektromagnetische straling in het algemeen en licht in het bijzonder. Let maar op: Wegens de relatie ω = 2π . f
tussen de hoekfrequentie ω en de
gewone frequentie f en
waarbij f de frequentie is die een waarnemer in het stelsel-in-rust
constateert en waarbij
We gaan het probleem vereenvoudigen. Als we de bron in het xy–vlak kiezen,
zijn er van de drie
mogelijke hoeken α, β en γ
nog maar twee over, α en β
, waarbij geldt β =
90o - α. Eigenlijk is er
nu nog maar één onafhankelijke hoek over. We kiezen de hoek met de x-as
en noemen die hoek φ. Bedenk dat de x–as samenvalt met de ξ–as van het bewegende stelsel dat zich in de richting van de positieve x–as beweegt. Dopplereffect en rood- en blauwverkleuring Als we nu a en γ uitschrijven, krijgen we het "relativistische" Dopplereffect:
Vergelijk dit resultaat met de klassieke formules in het begin en je ziet dat
waar er voor geluid een onderscheid wordt gemaakt tussen de bewegende bron en de
bewegende waarnemer, voor elektromagnetische golven (licht) slechts één
formule nodig is waarbij alleen de relatieve beweging tussen waarnemer en bron van
belang is. Vervolgens laat Einstein zien wat er gebeurt als de waarnemer zich beweegt langs de lijn waarnemer –––– bron. De hoek φ is dan nul. Je krijgt: f ' = f . De factor
Dus f ' = f .
We kunnen er aan toevoegen dat als de waarnemer zich met de lichtsnelheid verwijdert van de bron de "waargenomen" frequentie nul wordt, net als wanneer een waarnemer zich met de geluidsnelheid van een geluidbron zou verwijderen. Daarin zit geen onverwachte uitkomst. Aberratie Uit de afgeleide formules geeft Einstein vervolgens een nieuwe verklaring voor een al lang bekend verschijnsel dat het gevolg is van de snelheid van de aarde in zijn baan rond de zon. De snelheid van de aarde ten opzichte van de sterren vertoont een jaarlijkse variatie. Als gevolg hiervan vertonen de posities van de sterren op de hemelbol ook een jaarlijkse variatie. Het verschijnsel wordt aberratie genoemd of met een oude term: "afdwaling van het licht".
Alle sterren doen er in dezelfde mate aan mee.
De klassieke verklaring voor de aberratie is door de ontdekker van het verschijnsel, Bradley , al in 1729 gegeven (zie figuur 704).
Het is dezelfde verklaring die ook wordt gegeven voor de richting waarmee de regen tegen een fietsende fietser aanklettert als de regen loodrecht naar beneden valt (voor een stilstaande waarnemer). Voor de fietser valt de regen niet loodrecht naar beneden, als hij hard genoeg fietst krijgt hij de regen in zijn gezicht. Hij zal iets naar voren buigen zodat de regen alleen op zijn kop terecht komt. Bradley constateerde dat een bepaalde vaste ster (de twee na helderste uit het sterrenbeeld de Draak), die hij een groot deel van het jaar iedere nacht in zijn loodrecht opgestelde sterrenkijker in het vizier kreeg in de loop der tijd van positie veranderde. Het was een goed meetbaar effect, waarvan hij ontdekte dat het niet de jaarlijkse parallax kon zijn. Hij bracht het effect in verband met de eindige lichtsnelheid en de snelheid van de aarde in zijn baan om de zon.
De redenatie is de volgende: de tijd t die het licht van de ster er over doet om van de objectieflens (vooraan) van een sterrenkijker tot aan het oculair (ooglens) te komen, is t = ℓ/c. Hierin is ℓ de lengte van de kijker. In die tijd heeft de sterrenkijker zich over een afstand v.t = v.ℓ/c verplaatst omdat hij meebeweegt met de aarde. Om het beeld van de ster toch in het midden van het oculair te krijgen moet de kijker enigszins worden gekanteld. Die kantelhoek wordt gevonden met
Het quotiënt v/c wordt de aberratieconstante genoemd. Dit is de maximale afwijking, want naarmate het sterlicht minder loodrecht invalt, wordt de afwijking kleiner. Jaarlijks wordt door iedere vaste ster op die manier een ellips beschreven tegen de hemelbol met een lange as van 41 boogseconden. Daarbij geldt: als we een ster tegemoet snellen, staat hij schijnbaar lager en als we ons van de ster verwijderen staat hij schijnbaar hoger. Tweemaal per jaar heeft een ster zijn grootste hoekafwijking ten opzichte van zijn gemiddelde plek, namelijk als het aankomende sterlicht en de snelheid van de aarde loodrecht op elkaar staan. In figuur 705 zijn dat de plaatsen 1 en 2.
In de tweede helft van de negentiende eeuw, dus na 1850, kwam deze verklaring steeds meer onder vuur te liggen. Als de kantelhoek namelijk afhing van de tijd die het licht er over deed om van de objectieflens tot het oculair te komen, dan zou de kantelhoek moeten veranderen als je de kijker zou vullen met een materiaal waarin het licht een lagere snelheid had. Zo'n materiaal is water. Daarin is de lichtsnelheid ongeveer 75 % van die in lucht. De kantelhoek zou 1,33 maal zo groot moeten zijn. De Engelsman Airy waagde er in 1871 zijn telescoop aan en vulde hem spontaan met water. Na een grondig onderzoek kwam hij met een verrassend resultaat: de kantelhoek was niet veranderd!! Dus de verklaring van Bradley klopte niet.
In zijn "Versuch einer Theorie" blz. 88 weet onze wegbereider van de Relativiteitstheorie, H.A.Lorentz, het negatieve resultaat van Airy op een moeizame wijze te verklaren. Einstein echter scherpt op heldere wijze in enkele bladzijden de formule nog wat aan en bevestigt dat het medium er niet toe doet. Hij laat zien dat de aberratie eenvoudig te vinden is uit het verschil van de richtingscosinus van de bron in het stelsel-in-rust en het stelsel-in-beweging. Neem de formule a ' =
Deze formule geeft het verschijnsel aberratie in de meest algemene vorm weer, zo stelt hij. Als φ = π / 2, dus cos φ = 0, als de aardbeweging en de invallende straling loodrecht op elkaar staan, houden we de uitdrukking cos φ' = – v/c over, wat overeenkomt met de klassieke formule sinus θ = v/c . Zie figuur 704 en bedenk dat voor de hoeken geldt: sin θ = cos φ'.
De klassieke formule ging er van uit dat het licht van de ster loodrecht op de beweging van de aarde stond, terwijl Einstein en Lorentz laten zien dat de positie van de ster, vanaf de aarde gezien, daadwerkelijk is veranderd waardoor het licht enigszins scheef invalt. Dan maakt het niet meer uit welke snelheid het licht in de sterrenkijker heeft. Intensiteit Tenslotte vraagt Einstein zich af (blz. 912) of de amplitudo (= de grootste waarde) van de golven verandert wanneer de golven worden waargenomen in het stelsel-in-beweging. Dat is een "nieuwe" vraag, waar zijn tijdgenoten niet mee zaten, behalve natuurlijk Lorentz (Versuch einer Theorie blz. 108). De oplossing wordt door Einstein in een paar regels gegeven: wanneer de amplitudo van de elektromagnetische golven in het stelsel-in-rust wordt aangegeven met A en de amplitudo in het stelsel-in-beweging met A' , dan geldt de volgende betrekking A' 2 = A2 . Dat valt echt uit de lucht! Hoe komt hij er bij? Zo niet, dan volgt hier een uitweg uit het probleem. De elektromagnetische golf is een transversale golf. De amplitudo staat dus loodrecht op de richting waarin de golf zich voortbeweegt. We kijken uitsluitend naar de elektrische vector (voor de magnetische vector geldt een gelijksoortig verhaal). Wanneer de golf zich langs de x–as zou bewegen, zou de elektrische vector alleen uit de y–component Y = Y0. sin Φ en de z–component Z = Z0. sin Φ bestaan. De grootste waarde van de y–component is Y0 en van de z–component Z0 (zie figuur 706). Voor de amplitudo A geldt dan: A2 = Y02 + Z02.
Wanneer de golf een hoek maakt met de x–as krijgt de elektrische vector ook een x–component (zie figuur 707). De vectoren A, Z0 en Ax y liggen in het vlak loodrecht op de bewegingsrichting van de golf. In de tekening is een hulp–assenstelsel getekend. De componenten van A in dit hulp–assenstelsel zijn X0, Y0 en Z0. De vector Ayz is de vectorsom van Y0 en Z0.
We moeten eerst het vlak in ogenschouw nemen dat gevormd wordt door de x–as (tevens de bewegingsrichting van het stelsel–in–beweging) en de richting van waaruit de straling tot ons komt. In het stelsel-in-beweging hebben we met precies hetzelfde vlak te maken. We kunnen dus de richting van het licht in het stelsel-in-rust en de richting van het licht in het stelsel-in-beweging in één vlak tekenen (fig. 708). Dit vlak is het xy–vlak. Wanneer dezelfde lichtgolf bekeken wordt vanuit een stelsel–in–beweging dat langs de x-as beweegt, zal vanwege de aberratie de voortplantingsrichting van de golf en dus ook de richting van de bron een andere waarde aannemen. De hoek wordt φ' (zie figuur 708). Einstein beweert dat de amplitudo, en dat is een maat voor de intensiteit van de straling, verandert als je overstapt van een stelsel–in–rust naar een stelsel–in–beweging. Het zal zo uitpakken, dat zullen we straks laten zien, dat op gelijke afstand de intensiteit groter is voor een stelsel–in–beweging dat naar de bron toe beweegt dan voor een stelsel–in–rust (en omgekeerd).
We zoeken het nu uit. Uit de transformatieformules blijkt dat de x–component X van het elektrisch veld niet verandert bij de overgang van het stelsel-in-rust naar het stelsel-in-beweging. Daarom richten we onze aandacht op X0, de x–component van de amplitudo. Met behulp van figuur 707 is te zien dat X0 = Axy . sin φ. In het stelsel–in–beweging zal gelden X'0 = A'xy . sin φ'. Omdat X0 = X'0 volgt hieruit dat A'xy
= Axy. Maar als de component A'xy van A' met de factor
We zijn er hierbij van uitgegaan dat de vector A'yz niet van richting is veranderd t.o.v. Ayz,. We mogen dus schrijven: A' = A . In het volgende maken we gebruik van sin2 φ'
= 1 – cos2 φ'
en de aberratieformule voor de verandering van de richtingscosinus
cos φ'
= De gelijkheid blijft bestaan als je beide kanten in het kwadraat neemt. Daarmee krijg je: Teller en noemer vermenigvuldigen we met:
De termen Dit kan worden vereenvoudigd tot sin2φ
– (v/c)2. sin2φ
= Wanneer we dit invullen voor de noemer, dan zien we dat de sin2φ in de teller en de noemer tegen elkaar kunnen worden weggestreept. We houden precies de uitdrukking over waar we naar opzoek waren: Dat valt niet mee. Dat moet ook voor zijn tijdgenoten even puzzelen zijn
geweest. Wat Einstein vervolgens hieruit concludeert, is toch heel verstrekkend.
Stel dat φ gelijk is aan nul, Bedenk dat 1 – (v/c)2 = (1 – v/c) . (1 + v/c) , dan houd je over: Als v de lichtsnelheid benadert, nadert v/c de waarde –1. De noemer gaat naar nul, waardoor de uitdrukking naar oneindig gaat. Zoals Einstein zegt: "De lichtbron wordt oneindig intensief". Lorentz kwam niet verder dan een verdubbeling van de energie. Dat was schrikken. Nog even dit: we gingen er bij deze uitleg van uit dat de richting van de vector A onveranderd blijft bij de overgang van het ene stelsel naar het andere. Die hoek blijft behouden. Dat heeft de volgende natuurkundige achtergrond: We gaan uit van gepolariseerd licht. Stel dat je een polarisatiefilter (een
polaroid) verticaal in het yz-vlak hebt opgesteld . Dan kan je het licht uitdoven door het
polaroid om zijn x-as te draaien tot een hoek waarbij het polaroid loodrecht op de
lichtvector A staat. Omdat in het bewegende stelsel de afmetingen in de y–
en z–richting niet veranderen, behoudt het polaroid in het stelsel–in–beweging
deze hoek. Als de lichtvector echter zou zijn gedraaid, zou het licht in het
bewegende stelsel minder worden uitgedoofd. De bewegende waarnemer constateert
licht waar de stilstaande waarnemer geen licht constateert. Dat nu is zelfs voor
de relativiteitstheorie te gortig: dat is fysisch onmogelijk. In deze figuur is α = 90º + δ . Hieruit volgt tg α = – tg δ , dus Y0/Z0 = – M0/N0.
Nu tonen we aan dat de richting van de elektrische vector in het stelsel-in-beweging dezelfde is als in het stelsel-in-rust. De vraag: "Is Y'/Z' gelijk aan Y/Z". We maken gebruik van de transformatie formules en de zojuist geïntroduceerde relatie Y0/Z0 = – M0/N0 : De richting van de amplitudo in het yz–vlak blijft dus behouden. De
formule voor de amplitudo in het stelsel–in–beweging klopt. Terug naar het begin |