|
Alternatieve berekening bij §8 van de energieverhouding Naar Centrale Hal We bekijken door een zeer lange koker een ster (zie figuur 1). Het is een kijker zonder lenzen. Deze koker is precies c meter en het licht van de ster doet dus precies 1 seconde over de tocht door de kijker. De koker staat onder een hoek φ opgesteld. De hoogte van de kijker is c . sin φ meter en de horizontale afstand tussen D en E is c . cos φ meter. De hoeveelheid lichtenergie in de koker is gelijk aan het volume van de koker vermenigvuldigd met de energiedichtheid (in J/m3) van het licht. We nemen een bundel in ogenschouw die precies de koker vult. Voor de energiedichtheid gebruiken we de uitdrukking van Maxwell: A2
/ 8π.
Het volume V van de bundel in de koker is V = S . c . cos φ , waarbij S de oppervlakte is van een verticale doorsnede door bundel (zie figuur 2). De uitdrukking S . cos φ is de loodrechte doorsnede van de bundel en c . cos φ is de projectie van de bundel op de horizontale as. Het volume kan je dus op twee manieren vinden:
De laatste zullen we gebruiken omdat de verticale doorsnede van de bundel onveranderd moet blijven als we de bundel vanuit een bewegend stelsel waarnemen. Immers alleen de afmetingen in de bewegingsrichting zijn aan krimp onderhevig. De energiehoeveelheid in deze bundel is:
Vervolgens bekijken we de koker met de lichtbundel vanuit een passerend stelsel dat met een snelheid + v naar rechts beweegt (zie figuur 3). Vanuit dit stelsel gezien, zal de bundel een andere hoek maken met de x–as. De hoogte van de koker blijft hetzelfde, maar de horizontale projectie is gekrompen, gewoon omdat de koker een snelheid v heeft, gezien vanuit het stelsel dat naar rechts beweegt. De hoek φ* zal dus groter zijn dan de oorspronkelijke hoek φ. Wij zullen zelf plaats nemen in het passerende stelsel en daarmee dit stelsel
als het stelsel in rust beschouwen. We geven de coördinaten hierin aan met x
en t. Op t = τ = 0 vallen de stelsels even samen. Op dat moment komt de bundel aan bij D en schiet de koker in. In het ξ,τ–stelsel bereikt de voorkant van de bundel op het tijdstip t = 0 het punt D waarvan de ξ–coördinaat gelijk is aan ξ = 0. Op het tijdstip t = 1 bereikt de voorkant het punt E, waarvan de ξ–coördinaat gelijk is aan ξ = – c . cos φ. Op datzelfde moment t = 1 bereikt de achterkant van de bundel het punt D waarvan de ξ–coördinaat onveranderlijk gelijk is aan ξ = 0. Welke coördinaten en tijdstippen horen bij deze momenten als je het bekijkt
vanuit het x,t–stelsel? en τ = γ (t +
Omdat het stelsel met de koker naar links beweegt, is voor de snelheid –v
ingevuld, waardoor de formules +tekens krijgen. Voor het punt D geldt dan met ξ = 0:
Deze twee vergelijkingen met twee onbekenden ( x en t ) kunnen
we oplossen: dus t = γ sec. Hiermee kunnen we x vinden: x = – v . t = – v . γ = – γ . v Dus vanuit het x,t–stelsel gezien, schiet het laatste eind van de
bundel bij D de koker in op het tijdstip
tD = γ sec Zo kunnen we ook tijd en plaats in het x,t– stelsel uitzoeken voor het voorste punt van de bundel die op het tijdstip τ = 1 sec het punt E bereikt, dat in het ξ,τ–stelsel de ξ–coördinaat heeft: ξ = –c. cos φ (zie figuur 1) We krijgen de volgende vergelijkingen:
Uit de eerste volgt:
x + v. t = Dit vullen we in de tweede in: 1 = γ { t
+ Met als resultaat: t = γ .(
1 + Dus vanuit het x,t–stelsel gezien, bereikt de voorkant van de bundel
het punt E op Nu komen we aan een moeilijke vraag: is dit dezelfde bundel? Vanuit het x,t–stelsel kijken we naar een bundel die in D is
op het tijdstip tD = γ sec
en in E op het tijdstip tE = γ
. ( 1 + Wij beschouwen dus een bundel of een koker die zich in de tijd uitstrekt. Maar dat is ongebruikelijk, zelfs tegen de regels. We willen de energie weten van de bundel op één tijdstip. Als je de lengte wil weten van een rijdende trein ga je ook niet de plaats van de achterkant opmeten en een kwartier later de plaats van de voorkant. We moeten hiervoor corrigeren.
De bundel heeft zich tot E uitgestrekt in γ
.( 1 + moment t = γ sec was de
bundel nog niet zo ver. Hij was pas tot E* gekomen. De bundel DE*
is de bundel die we op het moment t = γ sec
moeten beschouwen. Hij heeft het eind van de koker nog niet bereikt. Omdat de
beweging van de bundel recht evenredig met de tijd plaatsvindt, is zijn lengte DE*
op dat moment pas De projectie van de bundel op de horizontale as is dus gelijk aan deze factor
maal de projectie van de koker: We krijgen hiermee voor de lengte van de projectie van de bundel op de horizontale as: Nu komen we terug op de vraag welk volume de hoeveelheid licht van de bundel inneemt. Zoals we bij figuur 2 hebben laten zien, is het volume van de lichtbundel evenredig met de lengte van de projectie op de horizontale as. Het volume van de oorspronkelijke bundel was V = S . c . cos φ. Het volume van de bundel die we vanuit het passerende stelsel waarnemen, wordt: De verhouding van de volumina van de bundel die je waarneemt terwijl je er langs vliegt en van de bundel die je waarneemt in rust, is dus:
Dezelfde formule die Einstein afleidde voor de met de lichtsnelheid
voortijlende bol, op het teken in de noemer na, zoals we ook in §7plus hebben
gezien: in Einsteins afleidingen heeft c een negatief teken, zodat er in
zijn formules Wanneer je ook rekening houdt met het feit dat de energiehoeveelheid
evenredig is met de energiedichtheidsverhouding Zo komen we op hetzelfde resultaat als Einstein in §8: als je een lichtbundel tegemoet snelt, bevat de bundel méér energie dan wanneer je de andere kant op beweegt.
Naar boven |