|
Uitleg §10 Toepassing: massa hangt af van de snelheid. In dit voorbeeld bespreekt Einstein de beweging van een geladen deeltje met
een lading ε en een massa m
in een elektrisch veld E. Hij gaat uit van een "langzaam versneld elektron". Deze voorzorg moet hij nemen om de elektromagnetische straling, die een snel versneld geladen deeltje uitzendt, te mogen verwaarlozen. Uit de theorie van Lorentz (Versuch §30–35), gebaseerd op de theorie van Maxwell (A treatise, ) blijkt dat de uitgezonden straling evenredig is met de versnelling van een geladen deeltje.
De kracht op een elektron en dus ook op het "langzaam versnelde elektron" is ε.E . De drie richtingscomponenten van de kracht zijn ε.X ; ε.Y en ε.Z. Vanuit rust is de snelheid in het begin gering (waarbij de beweging kan worden benaderd met de wet van Newton: massa x versnelling = kracht) maar op zeker moment is de snelheid v zodanig groot dat de benadering niet meer opgaat. Immers, als de kracht hetzelfde blijft, moet de versnelling afnemen omdat de snelheid nooit groter kan worden dan de lichtsnelheid. We moeten dan overschakelen op de formules zoals ze gelden voor een stelsel-in-beweging met de snelheid v. Dan veranderen de coördinaten x, y, z en t in ξ, η, ζ en τ (zie fig. 1001) en de componenten van het elektrische veld X, Y en Z in X', Y' en Z'.
Omdat de snelheid toeneemt, gelden de formules voor ξ, η, ζ, τ en X', Y' en Z' slechts gedurende korte tijd, namelijk zolang de snelheid nog weinig veranderd is ten opzichte van de waarde v. Daarna moet je eigenlijk de formules aanpassen met een nieuwe waarde voor de snelheid van het stelsel-in-beweging, maar zover hoeven we niet te gaan omdat we de snelheid niet willen uitrekenen, maar een formule willen opstellen. Als volgt: De lading ε blijft constant omdat de lading een invariante grootheid is (zie §9). Over de massa m laten we ons voorlopig niet uit. De bewegingsvergelijkingen (massa x versnelling = kracht) voor de x–, y– en z–richting in het stelsel-in-beweging zijn:
We passen het beproefde recept toe: transformeren! De transformatieformules zijn:
We bekijken de bewegingsvergelijking voor de x–richting. Terwijl het stelsel-in-beweging k met de snelheid v voortvliegt,
krijgt het elektron in dat stelsel een snelheid ξ , die van x en t afhangt:
Je moet dan netjes gebruik maken van de transformatieformules voor ξ, τ en x en tξ = γ. (x – v.t) en x = γ. (ξ + v. τ) τ = γ. ( t – De bijbehorende afgeleiden zijn:
Hier zullen we af en toe gebruik van maken. Omdat η = y , y = η , ζ = z , z = ζ ,dus niet van twee variabelen afhankelijk zijn, levert differentiatie naar deze variabelen geen extra problemen op. Met dit in gedachten zullen we uitzoeken hoe Einstein van de formule Dit was een eerste stap, die kwam mooi uit want de differentiatie naar x viel
weg. Het is lastig, even geduld, we zijn er bijna! Bedenk verder dat X' = X en het zal duidelijk zijn hoe Einstein Het is belangrijk te zien dat de massa, noch de elektrische lading een rol spelen in deze transformatie.
De transformaties voor de y– en de z–richting zijn wat
eenvoudiger. Probeer ze maar. Einstein bespreekt vervolgens de massa van het elektron op de manier, zoals hij met enige terughoudendheid stelt, die in die tijd gebruikelijk was. Men onderscheidde de "longitudinale" en de "transversale" massa. De eerste is de trage massa die zich voordoet en bepalend is voor de versnelling, als een deeltje een kracht ondervindt in de x–richting en de transversale massa is de trage massa die zich voordoet als een deeltje een kracht ondervindt in een richting die loodrecht staat op de x–richting.
Hierboven staan de versnellingen. De bijbehorende krachten zijn: voor de x–richting :
ε . X Einstein: "Deze krachten zouden met een veerbalans in het stelsel-in-beweging kunnen
worden gemeten". Uit een vergelijking van de drie krachten en de drie versnellingen zoals ze net zijn opgesomd, volgt voor de massa:
Omdat γ groter dan 1
is, neemt de massa toe met de snelheid, in de x-richting met de derde
macht van γ en in de richting
loodrecht daarop met het kwadraat van γ
.
Het is een vervelende gedachte dat de massa van een voorwerp afhankelijk is van de richting waarin het wordt versneld. Einstein vond het kennelijk ook een weinig fraaie theorie met zijn transversale massa en longitudinale massa, zoals blijkt uit zijn tussenzin "…,waarbij we de gebruikelijke beschouwingswijze volgen… ". Het was echter de gangbare manier om er tegenaan te kijken. Hij maande al tot voorzichtigheid omdat het resultaat afhankelijk is van de definitie van de kracht en de versnelling, maar hij had kennelijk geen zin of tijd dat allemaal nog eerst uit te zoeken..
1) Max Planck: Das Prinzip der Relativiteit und die Grundgleichungen der Mechanik; VhDPG band 8 1906 p.136-141. Duits natuurkundige 1858-1947 Geboren in Kiel. Van 1889 tot 1928 was hij hoogleraar theoretische natuurkunde in Berlijn. Samen met Einstein grondlegger van de kwantumtheorie. Een moedig man in zijn strijd om de Duitse wetenschap te behoeden voor een teloorgang gedurende het tijdperk van het nationaal socialisme. Verder merkt Einstein op dat de formules voor de massa, afgeleid voor een geladen deeltje, ook gelden voor zware massa’s zonder elektrische lading, omdat er altijd een geladen deeltje van kan worden gemaakt door er enige lading aan toe te voegen. De versnelling die een massa krijgt als reactie op een kracht wordt bepaald door zijn trage massa. Daar gelden die formules voor. Of die trage massa nu is opgebouwd uit zware massa en "elektromagnetische massa" of uitsluitend uit "elektromagnetische massa", dat maakt voor de afgeleide formules niet uit. De volgende, in die tijd gebruikelijke stap is het bepalen van de kinetische energie van het elektron als het een snelheid v* heeft bereikt. Daar werden toentertijd lange en ingewikkelde artikelen 2) over geschreven. De behandeling hiervan door Einstein is kort en helder.
Ga uit van een elektron met een lading ε en een veldsterkte X die langs de x–as is gericht. De kracht op het elektron is dan ε.X. De arbeid die het veld op het elektron verricht als dit zich verplaatst over een afstand dx is gelijk aan ε.E.dx. Je vindt de arbeid W die over een bepaalde afstand door het veld op het elektron wordt verricht eenvoudig met de integraal: De arbeid die het veld op het elektron heeft verricht, is gelijk aan de kinetische energie die het elektron heeft verkregen. Omdat we de arbeid willen uitdrukken in de snelheid van v = 0 tot de eindsnelheid v* zullen we de integraal moeten herschrijven met de snelheid v als variabele. Zoals we net hebben gezien is de bewegingsvergelijking van het elektron : Hierin is de versnelling We lopen hier tegen het probleem op dat we van variabele moeten wisselen. We
hebben de variabele x en we willen de variabele v. We hebben al
een stapje in die richting gezet: van
De twee dt’s hebben gewoon tegen elkaar weggestreept! Nu krijgen we een integraal die we aankunnen: Het zal niet voor iedereen duidelijk zijn hoe we aan de primitieve functie We integreerden over de snelheid v dus we moeten de primitieve functie ook differentiëren naar v. We maken gebruik van de kettingregel (zie §3 blz 20) en het is handig om
Dan krijgen we het volgende: De laatste uitkomst is de uitdrukking die onder het integraalteken stond, dus de veronderstelde primitieve functie is de juiste functie. Omdat de eerder gevonden uitkomst voor elke waarde v* geldt, mogen we v* vervangen door de willekeurige snelheid v. De uitkomst van de integraal wordt dus: Dat is wel wat anders dan de vertrouwde Ekinetisch = ½ m v2 . Het heeft er echter wel veel mee te maken. Let maar op: Om te beginnen is Als we nu terugkijken naar Uitleg §4 blz.10 dan zien we daar de volgende benadering staan Dus
Voor snelheden die klein zijn ten opzichte van de lichtsnelheid is g bij benadering gelijk aan 1, zodat W = ½ m v2. De energie Ekinetisch = ½ m v2 is dus een benadering voor de werkelijke energie. Het is overigens ongelofelijk hoe dicht Einstein hier met de formule al bij de beroemde formule E = m. c2 zit. Die formule komt in Uitleg E=mc2 aan de orde. Maar Einstein zag het hier nog niet! Onnodig op te merken dat als de snelheid v de lichtsnelheid c nadert, de kinetische energie naar een oneindig grote waarde groeit. Nogmaals benadrukt Einstein dat snelheden boven de lichtsnelheid niet kunnen bestaan.
Het resultaat dat berekend is met een elektrische kracht moet ook voor een gewone massa gelden, stelt Einstein nogmaals, want je kan een gewone massa van een elektrische lading voorzien en weer hetzelfde verhaal houden. Het soort massa, trage massa of "elektromagnetische massa" speelt geen rol in de beschouwing. Tot slot suggereert Einstein een drietal experimenten om de juistheid van de bewegingsvergelijkingen van blz. 5 van deze paragraaf na te gaan. Ten eerste: 3) Tot op heden heeft uw gids geen duidelijkheid verkregen over de aard van de meetmethode om met wisselende velden de snelheid van een elektron te bepalen, noch over de vraag of de door Einstein gesuggereerde experimenten ooit zijn uitgevoerd. Ten tweede: Als je een elektron een elektrisch potentiaalverschil P (dat is een spanningsverschil in bijvoorbeeld: volt) laat doorlopen, moet de snelheid voldoen aan de vergelijking:
Deze vergelijking hangt direct samen met de arbeid W die het veld op het elektron heeft verricht om hem die snelheid te geven (zie blz. 7). Het verlies aan potentiële energie Δ ε . P van het elektron in het elektrisch veld moet gelijk zijn aan de arbeid die het veld op het elektron heeft verricht, en dit is weer gelijk aan de kinetische energie die het elektron heeft verkregen. Op deze wijze kan aan een elektron een gewenste snelheid worden gegeven, die weer op onafhankelijke wijze kan worden gecontroleerd. Ten derde: Als loodrecht op de snelheid in de x–richting van het elektron een magnetisch veld N in de z–richting wordt aangebracht, als enige afbuigende kracht, dan ondervindt het elektron een afbuiging in de y–richting (zie bewegingsvergelijkingen op blz.3). De versnelling wordt dan:
Het bijzondere daarvan is dat het elektron in het XY–vlak blijft
bewegen, zodat de kracht die van N uitgaat loodrecht op de snelheid
blijft werken. (de Lorentzkracht) en even groot blijft. De grootte van de
snelheid verandert daardoor niet, maar wel de richting. Het elektron gaat een
cirkel beschrijven. "Iedereen" weet dat de middelpuntzoekende kracht
die een deeltje met massa m en snelheid v in een cirkelbaan met
een straal R houdt, gelijk is aan: De bijbehorende versnelling is dan: Hieruit volgt
Hier geeft Einstein de volgende "mooie" vorm aan:
In deze vorm kan je de snelheidsverhouding Na nog enige woorden van dank aan zijn goede vriend Michele Besso besluit Einstein het artikel. Einde
Naar boven |