|
Terug naar de Centrale
Hal
We zullen het wel zelf uitzoeken, daar hebben we Einstein niet bij nodig. "De lengte van de balk terwijl deze voorbijvliegt?" Doen we even. Het gaat om een idioot probleem: als wij ervoor zorgen dat de klokken van de
cowboys gelijklopen met onze klokken, kunnen de cowboys door een meting laten
zien dat we er naast zitten. De voorste klok bij B loopt voor op de
achterste klok bij A. De klokken op de voorbijvliegende balk kunnen niet
gelijklopen volgens de meting.
"Het is nooit goed!", lijkt het wel. Omgekeerd geldt volgens de cowboys voor de klokken die we langs de snelweg
hadden opgesteld (zie fig. 2.01 van §2) dat de voorste klokken
achterlopen op de klokken achteraan. Hierbij is een "voorste klok"
een klok die eerder wordt gepasseerd dan een volgende klok. Het gaat niet om de
afstand tot de klok, want van de gepasseerde klokken is de klok die het eerst
werd gepasseerd en die zich misschien al op een grotere afstand van de cowboys
bevindt, nog steeds de "voorste klok"! Er is nog iets wat goed moet worden afgesproken, namelijk, wat verstaan we onder de lengte r van een bewegende balk. Daaronder moeten we de lengte verstaan zoals we die kunnen meten terwijl de balk beweegt. Dat kan op twee manieren. 1ste We staan zelf stil en we meten de lengte van de voorbijvliegende balk door op één tijdstip te bepalen waar het beginpunt B en de achterkant A van de balk zich bevinden 2de We meten op een bepaalde plaats het tijdverschil tussen de momenten dat de punten B en A op die plaats voorbijkomen en dit tijdverschil vermenigvuldigen we met de snelheid v van de balk. De lengte, die de cowboys op de bewegende balk zelf meten, de afstand tussen A en B, is niet de lengte die we willen weten. Wat zij meten is namelijk de lengte van de balk–in–rust, omdat de balk waar zij opzitten voor de cowboys in rust is. Zij meten de lengte met een meetlint dat ze langs de balk leggen. Die lengte kennen we wel, die is ℓ. Die waarde meten we zelf ook als we de balk in rust opmeten.
Figuur 2.21 Twee identieke balken We zullen nu op eigen houtje de lengte r van de balk-in-beweging bepalen. We gaan uit van twee identieke balken, die beide een lengte ℓ hebben als je ze in rust meet met een meetlint. De balk waar de cowboys A en B zich op bevinden, krijgt een snelheid v en vliegt voorbij. Als je nu zijn lengte meet door de cowboys gelijktijdig (volgens onze klokken) een gat in het wegdek te laten schieten, of door de tijd te meten tussen het voorbijvliegen van B langs P en van A langs P, dan meet je de lengte r. In het laatste geval ga je ervan uit dat je de tijd mag vermenigvuldigen met de snelheid v. Dit brengt ons op de vraag of de snelheid v van AB ten opzichte
van PQ even groot is als de snelheid van PQ ten opzichte van AB. Van het resultaat maken we gebruik. In stappen gaan we naar de conclusie: Stap 1: Meet de snelheid v van de balk op twee manieren. Wanneer je de snelheid v van de balk AB wilt meten, dan meet je de afstand waarover de balk zich heeft verplaatst en je deelt dat door de tijd die de balk daarvoor nodig had. We beschouwen daartoe het punt B (zie fig. 2.21) en we meten de tijd die B er over doet om van P naar Q te geraken. Vervolgens delen we de afstand van P naar Q door de tijd en we verkrijgen de snelheid. Dat kan op twee manieren: we kunnen dat zelf doen, vanaf de grond met onze klokken, of we laten het cowboy B doen vanaf de balk met zijn klok (het symbool voor de tijd die met een klok op de bewegende balk wordt gemeten, is τ, de Griekse letter tau). We krijgen twee uitdrukkingen:
Let op: Ogenschijnlijk zijn er meer methoden om de snelheid te meten, maar voor je het weet, herhaal je de methode, maar dan vanuit het andere stelsel, waarbij je het stelsel AB tot stilstaand stelsel hebt gebombardeerd! Dat kan in grote chaos eindigen. Omdat de snelheid voor beide stelsels v is, mogen we de uitdrukkingen gelijkstellen:
Uit de eerste vergelijking zie je dat de verhouding tussen lengte en tijdsduur constant is. Als je een gekrompen lengte meet voor de bewegende balk, vind je ook een kortere tijdsduur voor de passage van de balk. Voor de tijdsduur tQ – tP en τQ – τP schrijven we nu t en τ waarmee de laatste uitdrukking wordt:
Stap 2: Meet de tijdsduur van het retourtje tussen A en B van het lichtsignaal op twee manieren. Over de verhouding
De tijdsduur volgens de cowboys staat in verhouding tot die volgens ons als:
Verder strepen we de gelijke constanten in de uitdrukking tegen elkaar weg en we schrijven voor de tijdsduur, het tijdverschil τ2 – τ1 en t2 – t1 weer gewoon de tijd τ of t. Zo verkrijgen we:
Stap 3: Vergelijk de resultaten van stap 1 en stap 2. We hebben nu twee uitdrukkingen voor de verhouding τ / t en deze moeten dus gelijk aan elkaar zijn:
Dan moet gelden: dus Met de laatste uitdrukking vinden we de door ons gemeten lengte r van de bewegende balk die volgens de cowboys een lengte ℓ heeft:
Omdat
Stap 4: De tijd nader beschouwd Voor de tijd op de bewegende balk geldt dus dat hij "langzamer" is dan onze tijd:
Met "langzamer" wordt hier bedoeld dat het leven op de balk trager
verloopt dan bij ons. Als ze een klok hebben waarvan de slinger volgens hen
iedere seconde heen en weer gaat, dan meten wij dat die slinger er bijvoorbeeld
twee seconde over doet. De klok tikt er trager (volgens ons). Hoe klein de
effecten bij gewone snelheden ook zijn, als we naar een bewegend stelsel kijken,
bekijken we altijd een vertraagde film.
We leggen vervolgens dat eerder gevonden, wonderlijke resultaat (zie §2) ernaast dat klok B volgens de cowboys vóórliep op klok A terwijl wij de cowboys hadden geïnstrueerd de klokken gelijk te laten lopen. Dat voorlopen volgt niet direct uit het trager lopen van de klokken. De twee klokken zouden trager kunnen lopen, maar onderling toch gelijk. Om de juiste tijd op de bewegende balk te vinden, zullen we dit gegeven erin moeten verwerken. We zetten op zeker moment, in samenwerking met de cowboys, klok A gelijk met onze klokken. De cowboys laten volgens hun inzicht klok B gelijklopen met klok A, door klok B een stukje terug te zetten. Wij constateren dat klok A en B langzamer lopen dan onze klokken en dat klok B nog weer een stukje achterloopt op A. Klok B loopt even snel (of even langzaam) als klok A, maar sukkelt er een stukje achteraan. We zullen bepalen hoeveel klok B achterloopt op klok A en we zullen het resultaat zowel in onze tijd t als met de tijd τ van de cowboys weergeven. Uit de meting van de cowboys waarbij ze een gat in het wegdek schoten, bleek
dat de voorste klok vóórliep als de klokken volgens ons gelijkliepen. We
kunnen precies vertellen hoeveel de voorste klok B volgens die meting
vóórloopt op de achterste klok A. Je neemt gewoon het verschil van de
twee tijdmetingen die we vonden voor de tijd die het licht erover doet om van A
naar B te gaan en om van B naar A te gaan (zie §2 blz.4 ) en we rekenen dat eerst uit:
→ Gebruik (c – v) . (c + v) = c2 – v2 = c2. (1– v2/c2) en je krijgt: Als klok B één seconde voorloopt op klok A, dan duurt de heenweg van A naar B één seconde te lang en de terugweg duurt één seconde te kort. Het verschil (tB – tA) – (t'A – tB) is dan twéé seconde. Het vóórlopen van de klok tikt dubbel door! We moeten de gevonden uitdrukking dus door twee delen om te weten te komen hoeveel klok B vóórloopt op klok A. Dat levert het tijdverschil Δt op.
Met de gevonden waarde loopt volgens de meting van de cowboys klok B vóór op klok A als beide klokken gelijk en even snel lopen als onze klokken. Wij nemen het echter niet waar en moeten ons verlaten op hun meting. Als de cowboys klok B, volgens hun inzicht, gelijk laten lopen met klok A zal volgens óns klok B met de genoemde tijd Δt àchterlopen op klok A. Het achterlopen is, zoals je ziet uit de formule "te vlug
geschoten", afhankelijk van de lengte van de balk. Hoe verder B
van A afligt, hoe groter het tijdverschil. We weten al dat de klok in het
bewegende stelsel trager tikt. De tijd van B is afhankelijk van zijn
plaats. Omdat B op ieder punt in de ruimte langs de x-as kan
worden gekozen, is het van belang om een uitdrukking voor de tijd τB
van het punt B (waarvan de plaats op de x-as in zijn algemeenheid x
wordt genoemd) te vinden, omdat je dan een algemene uitdrukking voor de tijd τ
hebt die overal langs de x–as geldig is. De tijd τB van B loopt dus ten opzichte van de tijd τA van A een stukje Δτ achter. τB = τA - Δτ Het stukje Δτ kennen we
in eerste instantie niet, maar we kennen wel het stukje Δt
(volgens onze tijdaanwijzing) dat de klok B achterloopt op klok A.
Maar dan kunnen we Δτ
uitrekenen want we hebben gezien dat tussen de tijd op onze klokken en de tijd
op de klokken van de cowboys de relatie "langzamere tijd"
geldt:
Hiermee wordt: Dit gaan we herschrijven. De plaats (= de x-waarde) van het punt B ten opzichte van een
beginpunt op de grond, de oorsprong van het stelsel-in-rust, is voor ons op
ieder tijdstip t in de x –richting r groter dan de plaats
van A. (Zie figuur 2.22). Als we afspreken (hetgeen betekent dat
we het op die manier aanpakken, of je het er mee eens bent of niet!) dat A
zich op het tijdstip t = 0 op de plaats x = 0 bevindt, dan
is de plaats van A op het tijdstip t gelijk aan v . t . De
balk vliegt nou eenmaal met de snelheid v langs onze observatieposten.
Omdat wij een lengte r voor de balk meten, is de plaats van B
volgens ons op dat tijdstip We vullen voor de plaats r in het bewegende stelsel van het punt B in: r = x – v . t., waarbij x en t waarden zijn die in het stelsel-in-rust gelden (zie fig. 222). Daarmee krijgen we voor tB drie termen:
De eerste en de laatste geven we dezelfde noemer en we zetten ze bij elkaar:
Het is een beetje puzzelen. Nu breng je de eerste en de tweede term aan de rechterkant onder dezelfde noemer:
Dit vereenvoudigen we verder tot een overzichtelijke vorm en in plaats van τB schrijven we gewoon τ , omdat deze formule algemeen voor de tijd van een punt dat zich op een willekeurige plaats bevindt in het bewegende stelsel, op de balk dus, voor ieder tijdstip t in het stelsel-in-rust en voor iedere plaats x in het stelsel-in-rust geldt:
Deze formule bevat venijn: omdat de wortelvorm kleiner is dan één, zou je denken dat τ groter is dan t. Als je x constant houdt, klopt dat. Je kijkt dan als het ware telkens naar nieuwe klokken die vervolgens verdwijnen in de x-richting. De voorste klok liep achter op de achterste en de achterste, laatst geziene klok loopt dus voor op de voorste. Het beeld verschuift. De tijd op de opeenvolgende klokken die je ziet passeren, loopt sneller dan onze tijd. Als je één klok in de gaten houdt, neemt zijn plaats x toe met v
. t. De term tussen haakjes wordt dan: Hiermee wordt Δτ = De formule is van groot belang in het verhaal van Einstein. In de volgende paragraaf zullen we hem opnieuw tegenkomen, maar dan volgen we de afleiding die Einstein ervoor gaf. Stap 5: De plaats nog eens bekeken. We hadden gezien dat de voorbijvliegende balk korter wordt gemeten dan dezelfde balk in rust. Omdat elke afstand in gedachten door een balk kan worden voorgesteld, zal iedere afstand in een bewegend stelsel korter worden bevonden. De vraag of de balk nou werkelijk korter is, moet met ja worden beantwoord. De cowboys meten de lengte ℓ en wij meten r . De balk is niet veranderd, maar hij neemt in bewegende toestand minder lengte in dan in rust. Onder stap 3 hadden we voor de lengte van de bewegende balk gevonden: Dus
Figuur 2.22 De plaats van het punt B De lengte ℓ is de plaats van punt B in het bewegende stelsel en het punt x is de plaats van het punt B in ons stelsel. Zo vinden we de relatie tussen de plaats van het punt B in ons stelsel en in het cowboy-stelsel:
ℓ = Daarmee schrijven we de formule als:
ξ = Dit is de tweede , zeer belangrijke formule die Einstein afleidt in zijn artikel. Stap 6: Conclusie We hebben twee belangrijke formules gevonden, waarmee het mogelijk is van een bepaald punt de plaats ξ en de tijd τ op de balk te vinden als je van dat punt de plaats x en de tijd t uit onze waarnemingen kent:
ξ =
De twee formules heten officieel de Lorentztransformaties. Oefening 5
Voorbeeld We zullen in dit voorbeeld één, met de balken, de cowboys, de klokken en het licht, vergelijkbare situatie schetsen, maar met veel kleinere snelheden. We stellen ons een kanaal met stilstaand water voor. Over het kanaal wordt een rechthoekig raamwerk met een (in rust gemeten) lengte van 100 m voortgetrokken met een snelheid v = 1,25 m/s (zie figuur 2.23). De constructie beweegt zo lichtvoetig over het water dat het water niet in beroering komt. Tussen de voorzijde en de achterzijde van de constructie vaart een bootje heen en weer met een constante snelheid c = 4 m/s ten opzichte van het water. Tijdens het keren verliest het geen tijd. In dit systeem wordt met het heen en weer varende bootje de meetprocedure van Einstein uitgevoerd om te onderzoeken of twee klokken gelijklopen. Snelheden groter dan 4 m/s voor de constructie worden uitgesloten, want dan werkt de procedure uiteraard niet meer. Op de achterzijde van de constructie zit cowboy A met zijn klok en aan de beginzijde zit cowboy B met zijn klok. Binnen de constructie laten de cowboys stiekem een bak water meeslepen, even lang als het raamwerk, om een eigen bootje met 4 m/s heen en weer te kunnen laten varen. Dat is niet eerlijk, maar wij doen alsof we er niets van weten. Wij staan langs de kant van het kanaal met een goede klok in de hand. We gaan er van uit dat de tijd τ in het bewegende stelsel en de lengte r van het bewegende stelsel anders zijn dan de lengte ℓ en de tijd t bij ons.We plaatsen twee vlaggetjes langs het kanaal op een onderlinge afstand van eveneens precies 100 m. Als het raamwerk passeert, meten we hoe lang punt B erover doet om van het eerste tot het tweede vlaggetje te komen. Dit is de ‘gewone’ meting en we vinden Δt = 100/1,25 = 80 sec.Als we cowboy B vragen om de tijd te meten, vindt hij een waarde die gelijk moet zijn aan Δτ = r /1,25 sec , want voor hem is de afstand r tussen de vlaggetjes niet gelijk aan 100 m terwijl de snelheid waarmee de vlaggetjes hem passeren dezelfde snelheid is die de constructie heeft ten opzichte van ons: 1,25 m/s.
Hoeveel trager is de tijd in het bewegende stelsel? Om dit te beantwoorden, bekijken we hoe lang het bootje over de heen- en terugweg tussen A en B doet. De tijdsduur om van A naar B en terug te geraken, is volgens ons: Volgens de cowboys is de benodigde tijd over de heen en terugreis, gemeten met hun bootje in de stiekem meegesleepte bak met stilstaand water Δτ = 200/ 4 = 50 sec.Δτ / Δt = 50 / (r . 0,5541) = 90,23 / r (2) Als we de verhoudingen (1) en (2) gelijkstellen, krijgen we:
Hieruit volgt r = √90,23 = 94,99 m
Nu kunnen we berekenen (met (1)) welke tijd B meet voor de passage van de twee vlaggetjes: Δτ = (94,99 / 100) . 80 = 75,99 sec. Dat is wel wat anders dan die 80 sec die wij hebben gemeten.
Figuur 2.23 Raamwerk met snelheid v in een kanaal De tijd verloopt voor B dus duidelijk langzamer. Voor B 75,99 sec en voor ons 80 sec. We kunnen ons met dit voorbeeld voor ogen ook indenken hoe het achterlopen van klok B ontstaat: De raamconstructie ligt oorspronkelijk stil in het kanaal. We gaan uit van klokken die allemaal gelijklopen en dat willen we controleren voor de situatie dat de constructie van stilstand tot een zekere snelheid komt. Op het moment het bootje wegvaart bij A, komt de constructie gelijkmatig versneld in beweging. Als het bootje bij B aankomt, heeft dit punt snelheid verkregen en heeft zich in die tussentijd verplaatst. Het bootje moet dus een grotere afstand afleggen dan bij een stilliggende constructie en doet daar langer over. Het bootje vaart terug. A komt het bootje al tegemoet, dus de tijd over de afstand B naar A is minder dan van A naar B. Hieruit moet de conclusie worden getrokken dat volgens de meting klok B voorloopt, immers, als de klokken gelijklopen, moet het bootje even lang over de heenweg als over de terugweg doen.. Als de cowboys hiervoor corrigeren, dan zien wij klok B achterlopen. We laten het bootje heen en weer varen tot de constructie zijn eindsnelheid v heeft bereikt. Het is aannemelijk dat door het optellen van alle beetjes dat B achterliep het tijdsverschil wordt gevonden volgens de formule "te vlug geschoten":
Dus tijdens de versnelling ontstaat een tijdverschil tussen de voorste en de achterste klok!
1ste De meetprocedure van Einstein gaat uit van een lichtsignaal dat in dezelfde richting als de beweging van de balk wordt heen en weer gezonden. Wat nu als het licht loodrecht op de bewegingsrichting wordt uitgezonden? We laten daartoe een balk met een lengte ℓ, waarop zich in de punten A en B de cowboys bevinden, loodrecht op zijn lengteas bewegen. De cowboys meten voor de tijd die het licht over de heen– en terugreis langs de balk doet:
Voor ons gebruikt het licht meer tijd (zie figuur 2.24) omdat de afstand van A naar B* en vervolgens van B* naar A* groter is dan tweemaal de afstand van A naar B.
Figuur 2.24 De meetprocedure loodrecht op de bewegingsrichting De afstand van A naar B* en terug van B* naar A* is Door beide zijden van deze vergelijking te kwadrateren krijg je: t2 = (4/c2 ). (ℓ2 + (v . ½t)2 = 4.ℓ2/c2 + v2.t2/c2. Hiermee wordt t2 . ( 1 – v2/c2) = 4.ℓ2/c2
en t = Als je dit vergelijkt met de tijd van de cowboys τ = 2. ℓ/c, blijkt er uit dat
Ook op deze manier blijkt de tijd in het bewegende stelsel langzamer te verlopen dan in het stilstaande stelsel. We zijn er hierbij vanuit gegaan dat de afstand AB, de lengte van deze bewegende balk niét verandert, terwijl hij in de bewegingsrichting wel verandert. 2de Wij constateren dat de tijd langzamer verloopt in het bewegende stelsel dan in het stelsel-in-rust. Als we de cowboys twee van onze perfect lopende klokken hebben meegegeven, gaan die dan daadwerkelijk langzamer lopen? Hoe kunnen we ons dat voorstellen? Dat vraagt nogal wat van je fantasie. Het is bovendien complex, want vanwege de gelijkwaardigheid van de twee stelsels, de symmetrie, moeten de cowboys, omgekeerd, ook onze klokken langzamer "zien" lopen. Kan dat wel? Is dat niet in strijd met elkaar of is het gezichtsbedrog? Het antwoord luidt uiteraard: "Het is de harde realiteit". We zullen nu laten zien, aan de hand van een voorbeeld, hoe het mogelijk is dat wij hun klokken langzamer zien lopen terwijl zij onze klokken langzamer zien lopen. We gaan uit van twee zeer lange balken (zie fig. 2.25). In het stilstaande stelsel plaatsen we klokken op een afstand van 0,6 . c
meter. Dus iedere hele seconde (in het stilstaande stelsel) passeert het
punt A een volgende klok in het stilstaande stelsel. De tijden die de klokken op de bewegende balk aangeven op het moment dat A het punt P passeert (volgens afspraak het tijdstip t = t = 0), zijn er bij geschreven. Het punt B bijvoorbeeld, dat op 0,48.c meter op A voorligt in de bewegingsrichting, heeft de tijd τ = – 0,36 seconde. Dit kan vlot worden berekend met de formule "te vlug geschoten".
Lijn 3 geeft de situatie aan na 1 seconde. A passeert dan de klok bij Q, die dan uiteraard 1 seconde aangeeft. Maar de klok van A is langzamer, die geeft 0,8 seconde aan. Van enige punten staat de tijd erbij geschreven, te vinden door bij de tijden van de tweede lijn 0,8 sec op te tellen. Maar voor de "tijd" van het stelsel-in-beweging geldt de tijd van klok A: de "tijd" loopt er achter. Na precies 4 seconde (zie lijn 4) passeert klok A (zie lijn 5) voor de vierde keer een klok (R). Die geeft aan: 4 seconde. De klok van A geeft dan aan 3,2 seconde. Ten bewijze hiervan maken we een flitsfoto, waar beide klokken op staan als ze elkaar passeren. Klok A loopt achter op R en dus op alle klokken van ons stelsel, want onze klokken lopen gelijk. De "tijd" van het bewegende stelsel loopt trager dan onze tijd. De situatie vanaf de bewegende balk bekeken, ziet er anders uit (maar
eigenlijk hetzelfde). Als we de bewegende balk (lijn 5) met A
en B als het rustende stelsel accepteren (let op: de schaal in lijn
5 is kleiner dan in lijn 1) en het stelsel met P en Q als
het bewegende stelsel (lijn 6), dan moeten we eerst afspreken wat de"tijd"
voor het stelsel met P en Q is: natuurlijk , zoals we het ook voor
het bewegende stelsel AB hadden afgesproken, de tijd van de klok in
P.
Figuur 2.25 De klok in het andere stelsel loopt altijd trager.
Waar we wel aandacht aan zullen besteden, omdat het een goede voorbereiding is
op de beschouwingen bij komende paragrafen, is de weergave van de
lengte van de bewegende balk en de tijd in het stelsel–in–beweging in een
geometrische figuur, de rechthoekige driehoek. De term
Dus DF
= EF .
Tussen DF en EF bestaat dezelfde relatie als tussen r en ℓ
in de formule voor de "kortere balk" die we eerder hebben
gezien: r = ℓ . De "kortere balk" heeft een lengte die meetkundig gezien gewoon de projectie van de schuine zijde op de lange rechthoekzijde is (zie figuur 226). In de figuur er naast (fig. 227) zijn de afstanden door c (de
lichtsnelheid) gedeeld. De lange rechthoekzijde heeft dan de lengte
In deze rechthoekige driehoek gelden voor de onderlinge verhoudingen van de lengten van de lijnen waar de driehoek uit opgebouwd is: Schuine zijde : korte zijde : lange rechthoekzijde c : v :
Deze verhouding geldt in iedere driehoek die met de genoemde driehoeken gelijkvormig is. Zo’n driehoek zullen we "De driehoek met de bekende verhoudingen" noemen. We zoeken uit of we in Figuur 227 ook de formule "te vroeg geschoten" terug kunnen vinden. We tekenen daartoe de bewegende balk met de cowboys A en B en de identieke balk-in-rust PQ (zie blz. 1), waar wij ons op bevinden, in één figuur, figuur 228. De punten A en P vallen samen, hetgeen betekent dat op het moment dat A het punt P passeert de tijden in A en P gelijk worden gezet. Deze twee punten hebben op dat moment dezelfde tijd. De twee balken maken net zo’n hoek met elkaar als de scherpe hoek in "de driehoeken met de bekende verhoudingen". Als we vanaf een punt op de lijn AB een loodlijn neerlaten op de lijn PQ ontstaat er weer zo’n driehoek met bekende verhoudingen en evenzo als we vanaf PQ een loodlijn neerlaten op AB.
Figuur 228 Twee balken: bewegend AB en in rust PQ In de hier getekende figuur kan je de verkorting van de bewegende balk terugvinden als de lengte AB’ , de projectie van AB op PQ, maar ook de verkorting van de tijd is in deze driehoek terug te zien. Als we een zekere tijd in het stelsel-in-rust weergeven met de afstand PQ dan is de benodigde tijd in het stelsel-in-beweging te vinden door de projectie van PQ op AB te nemen, namelijk AQ’ . Ook de driehoeken BB’B’’ en QQ’Q’’ zijn driehoeken met de bekende verhoudingen en als je hiervan gebruik maakt, kan je laten zien dat BB’’/c de formule "te vlug geschoten" volgens onze klokken weergeeft: Bedenk dat AB' de lengte voorstelt zoals wij waarnemen, eerder aangegeven met r. De formule "te vlug geschoten" volgens de
tragere klokken van de cowboys is terug te vinden in QQ’/c of wat op
hetzelfde neerkomt:BB’/c :
Opmerkingen
Oefening 6 We zullen nog wel vaker die rechthoekige driehoek terugzien met de verhoudingen: c "staat tot" v "staat tot" √(c2 – v2) . Korter geschreven als c : v : √(c2 – v2) . De"driehoek met de bekende verhoudingen". De stelling van Pythagoras werd er op de middelbare school ingedreund als: a2 + b2 = c2, waarbij a en b de lengten van de rechthoekzijden waren en c de lengte van de schuine zijde. De lengten verhouden zich dus als a : b : c .
Hierbij is de lengte c gelijk aan één gesteld. Je mag natuurlijk ook a of b op 1 stellen, dan komt er in de plaats van de eerste term een 1 te staan of in de plaats van de tweede term.
Is de balk echt korter? Om op deze vraag een definitief antwoord te geven, beschieten we de passerende balk met twee kanonnen die op een geringere afstand van elkaar staan dan de lengte van de balk. De kannonnen schieten hun kogels loodrecht omhoog. De balk is 100 meter lang en de snelheid van de balk is 0,8 x de lichtsnelheid c m/s, zodat wij hem waarnemen met een lengte van 60 m (immers √(1–0,82) = 0,6). We zetten de kannonnen op een afstand van iets meer dan 60 m, maar lang geen 100 m. Op het moment dat de balk passeert, schieten we tegelijkertijd de twee kannonnen af. Het kan geen kwaad volgens ons, want de voorste kogel zal voorlangs gaan en de achterste zal achterlangs gaan. Dat is precies wat we waarnemen: ze vliegen tegelijkertijd langs de balk op een onderlinge afstand van iets meer dan 60 m. De balk wordt niet geraakt! Wat vinden de cowboys daar nou van. Deze onverschrokken jongens kijken niet op van een kogel meer of minder. Het enige wat hen verbijstert, is dat wij zo mis konden schieten. Voor open doel! De kannonnen staan immers op een onderlinge afstand van maar net 36 m volgens de cowboys. Want ook voor hen geldt weer dat √(1–0,82) = 0,6, dus onze 60 m is voor hen 0,6 x 60 m = 36 m, terwijl hun balk 100 m is. Hoe kregen wij het voor elkaar! Nou, dat hebben ze best gezien: het voorste kanon schoot net te vroeg en het achterste kanon schoot net te laat. Hier geldt weer de formule "te vlug geschoten". Volgens de cowboys
Als je dit invult met v = 0,8 x c en AB = 100 m, krijg je Δτ = 80/c seconde. In die tijd legt de balk precies v x Δτ = 64 m af. Samen met de 36 m die de kannonnen uit elkaar staan, levert dat 100 m op. Zij zagen op zeker moment de voorste kogel vlak voorlangs gaan en 80/c seconde later de tweede kogel net achterlangs gaan.. "Die kunnen niet schieten!", zullen ze denken.. Als we volgens de cowboys de twee kogels gelijktijdig hadden afgeschoten, zouden ze op een afstand van 36 m van elkaar in de balk zijn gedrongen, maar dat is niet waar het om ging. Als je de juiste momenten uitkiest kan je de kogels ook op dezelfde plek in de balk schieten. Het ging er om of je uit twee kannonnen, die maar 60 m van elkaar afstonden, tegelijkertijd twee kogels op een balk van 100 m lengte af kon schieten waarbij de kogels voor en achterlangs zouden gaan. Het antwoord is ja. De balk is volgens ons echt maar 60 m.
Oefening 7 Er suist een balk met een lengte van exact 1000 km door het heelal met een snelheid van 240.000 km/s (4/5 de van de lichtsnelheid). Voorop zit cowboy B en achteraan zit cowboy A. De balk scheert vlak langs de aarde en wij meten zijn lengte.
Beide cowboys laten hun klokken precies gelijk lopen met de klokken op aarde.
Niet iets om je druk over te maken. Oefening 8 Een voorwerp met een lengte (in rust gemeten) van 100 meter suist in zijn lengterichting voorbij de aarde met een snelheid van tweetiende van de lichtsnelheid. De gezagvoerder laat ons groeten via lichtflitsen die hij naar eigen zeggen iedere 0,1 sec afvuurt. Welke lengte heeft het voorwerp voor de aardbewoners en hoeveel tijd zit er voor hen tussen de opeenvolgende lichtflitsen? Gebruik de formules "kortere balk"en "langzamere tijd". Opmerking: Houd de afstand van het voorwerp tot de aarde constant. De effecten die het gevolg zijn van het naderen of het zich verwijderen van het voorwerp leiden er toe dat het voorwerp er bij nadering langer uitziet en bij het zich verwijderen korter, omdat het licht van het verst verwijderde punt van het voorwerp eerder moet zijn uitgezonden dan van het meest nabije punt. Voor de lichtflitsen geldt dat ze bij nadering sneller binnenkomen en bij het zich verwijderen trager. Bij de gevraagde berekening gaat het niet om deze effecten! Antwoorden: 97,98 m en 0,10206 sec Zullen we maar even pauzeren? Naar het begin |