Het begrip rotatie wordt toegepast bij vectorvelden. Je zou het niet denken, maar het is een hartstikke lastig begrip. We komen het in het artikel van Einstein tegen bij magnetische en elektrische velden, maar het is veel beter om eerst eens naar de stromingsleer te kijken waar het tenminste een tastbaar begrip is. In Einsteins verhaal staat bijvoorbeeld de wiskundige uitdrukking rot E voor het elektrisch vectorveld E = (X , Y, Z). Dat wordt uitgeschreven als:
Zoals je ziet is de rotatie van de vector E ook een vector met een x–, een y– en een z–component. De componenten zijn opgebouwd uit partiële afgeleiden, de 'kromme d'. We hebben ze eerder gezien ergens halverwege de uitleg van §3. Daarbij gaat het om de verandering tengevolge van één variabele terwijl de andere variabelen constant worden gehouden. Het bijzondere is dat je voor de x-component van rot E de Y differentieert naar z en Z differentieert naar y. Alles staat zo'n beetje loodrecht op elkaar. In de stromingsleer is het vectorveld waar het begrip rotatie op wordt toegepast een snelheidsveld. De vector v geeft de snelheid in een zeker punt van de vloeistof of het gas weer. Wanneer het om een horizontale stroming gaat, heeft de snelheidsvector slechts twee componenten vx en vy.
Wij geven de snelheden in het horizontale vlak dus aan met vx en vy en de verticale richting is in dit geval de z–richting. Als iets ronddraait, kan je meestal een as aanwijzen. Voor een draaitol is
het duidelijk. De tol (zweeptol, priktol, bromtol, gyroscoop) draait in of
schommelt om het horizontale vlak, de as staat loodrecht op het draaivlak. In
welk vlak de tol draait, is dus gemakkelijker aan te gegeven met de richting van de
draaias die er loodrecht opstaat. De draaiing kan daarom worden aangegeven met een
vector langs de draaias, die de grootte en de richting van de draaiing symboliseert. Een draaiing in het horizontale
xy- vlak geef je dus aan met een rotatievector die een bepaalde grootte en
richting langs de z–as heeft. Ook een draaikolk in het water
heeft een min of meer verticale rotatievector evenals een windhoos, een tornado (zie
fig. 1)
(of een orkaan of een stormdepressie).
De draaiing wordt dus aangegeven met een vector (grootte + richting) in de verticale z–richting. De rotatie van het snelheidsveld v kan nu op eenzelfde wijze als de rotatie van het elektrische veld worden geschreven, dat wil zeggen dat de componenten vx, vy, vz op dezelfde plaats in de formule staan als de componenten X, Y en Z van E: Maar, in dit geval, nu er geen snelheid in de verticale richting is, geldt vz
= 0. Maar dan is ook de afgeleide van vz naar x
of naar y gelijk aan 0: Een tweede gedachte is de rotatie aan te geven met de snelheid waarmee het snelheidsveld op die plaats om zijn as draait. Een nieuwe vraag doet zich voor: "Hoe moet je dat opvatten?"
Op de volgende manier:
De rotatie kan dus worden aangegeven met de hoeksnelheid. Dat laatste wordt nu met behulp van de uitdrukking rot v gedaan. In de handboeken wordt beweerd: rot v = 2ω. We gaan dat controleren. We gaan terug naar een stroming in het horizontale vlak. Zoals we hebben
gezien, geldt voor de z–component van de rotatie:
Voorbeeld We bekijken een model van een orkaan (hurricane, cycloon).
We gaan rot v berekenen in het "ooggebied" en daarbuiten. We maken gebruik van de definitie van een cirkel waarbij we de oorsprong van het assenstelsel in het centrum van het oog plaatsen: r2 = x2 + y2 Voor de rotatiestroming in het centrale deel krijg je dan: Met behulp van tekening 5 kunnen we de x–component en de y–component bepalen. Voor de rotatiestroming krijg je vx = – v . sin φ = – c .
r . sin φ = – vy = + v . cos φ =
– c . r . cos φ = +
Deze eenvoudige formules voor vx en vy zijn gemakkelijk te differentiëren. Let op: om rot v te bepalen, pas je partiële differentiatie toe, dus als je naar x differentieert, beschouw y als constante en omgekeerd. We krijgen dan: Hiermee
wordt:
In de eerste plaats is de rotatie voor het type rotatiestroming een constante, overal in het gebied waar de rotatiestroming optreedt, in het oog van de orkaan, heeft hij dezelfde waarde. Dus "het’ roteert binnen het oog overal in dezelfde mate. Dat klopt wel, want als je twee punten A en B bekijkt, zijn die ten opzichte van elkaar na één rondje ook een rondje ten opzichte van elkaar gedraaid (zie fig. 6). Het punt B bevindt zich eerst rechts van het punt A en een halve ronde later bevindt B zich links van het punt A. Dat geldt voor alle punten, of je ze nou ver uit elkaar kiest of vlak bij elkaar.
Neem eens c = 2 π, dan is v = 2 π . r, dat wil zeggen dat de snelheid van een punt dat zich op een afstand r van het middelpunt van de cirkel bevindt zodanig is dat per seconde één rondje wordt afgelegd. De hoek φ (zie fig. 4) die de voerstraal tussen het middelpunt en het bewegende punt met de x–as maakt, is dan na één seconde 360º of 2π radialen groter geworden. Diezelfde 2π! Als we de hoek in radialen uitdrukken, is c dus de hoeksnelheid ω (= de toename van de hoek per seconde) in radialen per seconde. De waarde 2c van de z–component van rot v is dus gelijk aan tweemaal de hoeksnelheid. Je vraagt je af wat de wetenschappers heeft bezield om af te spreken die factor twee in te voeren. Waarom niet gewoon rot v gelijk te stellen aan de hoeksnelheid ω? Dat zou veel eenvoudiger zijn. Om achter deze raadselachtige afspraak te komen, bekijken we ook de circulatiestroming (zie fig. 7) waarvoor, zoals we zagen, de volgende snelheid geldt:
Hierbij is
= vy = v . cos φ = Nu bepalen we rot v met We hoeven alleen maar de z–component te bepalen omdat de rotatie in het xy–vlak plaatsvindt. Dan heeft de rotatievector, zoals eerder is gezegd, slechts een component in de z–richting. We bepalen de afgeleiden met de quotiëntregel voor differentiëren :
Dat is heel gek, ronddraaiende vloeistof die geen rotatie bezit. Dat verwacht je niet. Daarmee komen we op de essentie van het begrip rotatie. Als de rotatie in het xy–vlak plaatsvindt, wordt de rotatie gevonden door de hoeksnelheid langs de x–as en die langs de y–as bij elkaar op te tellen. Die hoeksnelheden hoeven namelijk niet gelijk aan elkaar te zijn en door ze op te tellen, krijg je een maat voor de rotatie van het gehele elementje.
Maar, hoor ik je sputteren, je moet ze niet optellen, maar van elkaar
aftrekken.
Langs de y–as heeft het lijntje óók een positieve hoek afgelegd. Het
lijntje vx geeft de grootte van de snelheid in x–richting
weer. Maar in dit geval heeft Voor de circulatiestroming is nu te begrijpen dat je op nul uitkomt: een verticaal lijntje krijgt na korte tijd een positieve hoekverdraaiing (tegen de klok in) en een horizontaal lijntje krijgt een even grote, negatieve verdraaiing (zie fig. 8b)
De uitdrukking rot v geeft dus de som van de twee hoeksnelheden langs de x–as en de y–as en dat is tweemaal de gemiddelde hoeksnelheid van het elementje dat in de stroming meedobbert. We kunnen het ook op de volgende manier bezien (zie fig. 9).
Een elementje in de stroming stroomt van A naar B. Het gaat om
een cirkelvormige beweging. De hoek φ
is in radialen uitgedrukt: φ = v(r). t / r
dat wil zeggen: de snelheid ter plekke is v(r) en na t seconde is
de afgelegde afstand v(r) . t. De stroming staat altijd loodrecht op de straal, dus een verticaal lijntje bij A is bij B over dezelfde hoek φ tegen de wijzers van de klok in afgebogen. De hoeksnelheid ωvert van een oorspronkelijk bij A verticaal gedeelte van het elementje, dat in t seconde over een hoek φ is gedraaid, vind je door de hoek te delen door de tijd:
Een horizontaal lijnstuk bij A buigt juist met de wijzers van de klok mee bij B. Voor een korte tijd t, als het lijnstuk zich nog nauwelijks heeft verplaatst, mag je de beweging omhoog als rechtlijnig beschouwen, maar de snelheid is wel afhankelijk van de afstand v(r). De lijn waar v(r).t bijstaat is de plaats waar de elementjes die zich eerst op de x–as bevonden, zich na t sec bevinden. De afgeleide van v(r).t naar r geeft op dat moment de richtingscoëfficiënt (tg ψ) aan van de functie v(r).t (zie fig. 8). Nu geldt voor kleine hoeken tg ψ = ψ en daarom kunnen we, als we t klein houden, schrijven:
Daaruit volgt voor de horizontale hoeksnelheid via delen door de tijd t:
De gemiddelde hoeksnelheid over de verticale en de horizontale assen van het elementje is
en dus is rot v = 2 ωgemiddeld = ωvert + ωhor . Met de hier gegeven relaties kan de rotatie en de hoeksnelheid van stromingen die een cirkel beschrijven, worden berekend (zie tabel 1). In deze tabel zie je de rotatiestroming terug en ook de circulatiestroming. Verder staat onderaan de tabel het buitenbeentje: de planetenbeweging. De snelheid bevat een halftallige exponent bij de afstand in tegenstelling tot de andere stromingen in de tabel.
De rotatie en de hoeksnelheid van de circulatiestroming is, zoals we al hadden berekend, gelijk aan nul. Je ziet dat die nul precies past in het rijtje waarden in de derde kolom.
We gaan nog een stap verder. Wanneer we de integraal van de snelheid nemen langs een gesloten weg (de kringintegraal) is de uitkomst meestal ongelijk aan nul. Bijvoorbeeld in figuur 10 . Wanneer je het vet getekende pad volgt en ieder stukje weg vermenigvuldigt met de daar geldende snelheid dan heb je de integraal. Neem aan dat de snelheid afhankelijk is van de afstand r tot het centrum volgens v(r) = c .r (rotatiestroming). De integraal wordt dan φ . r1 . c . r1 – φ . r2 . c . r2 = φ . c . (r12 – r22).
Maar nu de circulatiestroming. Voor circulatiestroming geldt v(r) = c/r. De booglengte is evenredig met r en de snelheid is omgekeerd evenredig met r. Daardoor vallen de twee integraties langs de bogen tegen elkaar weg en de kringintegraal langs het gesloten pad is nul. Ook op deze manier bekeken is de circulatiestroming een uitzondering. De rotatie is nul en de kringintegraal is nul. En toch draait hij! Betekenis: Het wordt nog gekker als je weet dat er een verband is tussen de genoemde kringintegraal en de rotatie van v . Volgens de stelling van Stokes geldt: De kringintegraal van v langs s is gelijk aan de
oppervlakte-integraal van rot v over het oppervlak dat binnen het pad s
ligt. Als rot v = 0 , zoals bij de circulatiestroming, is de
oppervlakte-integraal gelijk aan nul en moet de kringintegraal dus ook gelijk
aan nul worden. Als je de kringintegraal nu zo neemt dat het pad het middelpunt omsluit, krijgt
de integraal ineens een waarde. De snelheid keert niet om op enig deel van het
pad. Neem voor de lengte van de weg een cirkel met straal r : dus 2πr
. De snelheid is daar c / r. Dan heeft de kringintegraal de waarde: 2πr.c/r
= 2π.c. Dit is onafhankelijk van r, dus deze integraal
heeft altijd dezelfde waarde als hij het middelpunt omsluit. De constante c
is hier niet de hoeksnelheid (want die is nul) zoals bij de
rotatiestroming. De waarde 2π.c
wordt de wervelsterkte Γ (=
hoofdletter gamma) genoemd. Wegens het belang van de circulatiestroming wordt de
constante met k aangegeven, zoals we al deden bij de beschrijving van de
orkaan, en er geldt: Γ = 2πk,
waarbij k een maat is voor de snelheid van de circulatiestroming. De draaikolk
Vlakke platen De onderste plaat ligt stil en de vloeistof die in direct contact staat met de plaat heeft een snelheid nul. De bovenste plaat op een afstand z = h van de onderste, beweegt met een snelheid vplaat en de vloeistof die in direct contact staat met de bovenste plaat heeft ook die snelheid vplaat. We nemen aan dat de snelheid van de vloeistof lineair verloopt tussen de onderste plaat en de bovenste plaat . Je hebt dus een gelijkmatig verlopende snelheid van nul tot vplaat. In formule: vx = Er is niets dat lijkt te wijzen op rotatie, en toch blijkt er rotatie in te zitten. Niet in het horizontale lijntje van een vloeistofelementje (zie fig. 13), dat verplaatst zich zonder draaiing, maar het verticale lijntje: dat draait! Overal waar je een vloeistofelementje in gedachten neemt, zal het verticale lijntje met de klok meedraaien: dat is een negatieve hoekverdraaiing. We kunnen eenvoudig uitrekenen hoe groot de hoekverdraaiing na één seconde (= de hoeksnelheid) is voor het verticale lijntje. In één seconde verplaatst de bovenste plaat zich over een afstand vplaat meter. De vloeistof bij de bovenste plaat heeft zich dan over dezelfde afstand verplaatst, terwijl de vloeistof bij de onderste plaat, net als de onderste plaat zelf, zich geheel niet heeft verplaatst. De hoek tussen de schuin lopende lijn en de verticale lijn is de hoekverdraaiing in één seconde.
De hoek φ vinden we met tg φ = – vplaat / h. De hoek φ(t) na t seconde is te vinden met tg φ(t) = – vplaat.t/h. De hoek φ(t) die hieruit volgt, de inverse tangensfunctie, is een ingewikkelde functie, maar als we de hoeksnelheid op een bepaald moment willen weten, kunnen we net zo goed twee kort opeenvolgende momenten kiezen. Dan is φ(t) een zeer kleine hoek en er geldt dan bij benadering: tg φ(t) = φ(t). Als we de hoeksnelheid (= de hoek per seconde) willen weten, nemen we de limiet voor t naar nul van φ(t)/t .De hoeksnelheid wordt
De hoeksnelheid van het vloeistofelementje wordt, zoals we bij de cirkelvormige stromingen hebben gezien, de gemiddelde waarde van de hoeksnelheden van de horizontale en de verticale as van het element:
De rotatieas ligt in dit geval langs de y–as, in het horizontale vlak en loodrecht op de x–as. De rotatievector wijst, wegens de kurkentrekkerregel, van ons af naar de negatieve y–as. We controleren de uitkomst van de hoeksnelheid met de formule voor rot v. We behoeven alleen maar de y–component te berekenen omdat de verandering van de snelheid langs de x–as uitsluitend in de z–richting plaatsvindt: Het klopt met rot v = 2.ω Je begrijpt dat met toenemende snelheid van de platen ten opzichte van elkaar het feit dat de vloeistof rotatie bezit aanleiding zal geven tot kleine wervels in de vloeistof waardoor de stroming op zeker moment turbulent zal worden. Terug naar begin |